'We gaan na of het daadwerkelijk helpt'

Om wetenschappelijk verantwoord onderzoek te kunnen doen naar het effect van het geven van heroïne volgens de onderzoekers Van Ree en Van den Brink 750 langdurig verslaafden nodig.

ROTTERDAM, 18 AUG. Het onderzoeksprotocol voor een onderzoek naar heroïne op recept is voorbereid door een wetenschappelijke commissie onder voorzitterschap van de aan de Universiteit Utrecht verbonden hersenonderzoeker prof. dr. J.M. van Ree. Leidinggevende onderzoeker wordt de Amsterdamse verslavingsepidemioloog prof. dr. W. van den Brink.

Het hete hangijzer in de Tweede Kamer lijkt de omvang van het experiment te worden. Waarom zijn er 750 verslaafde proefpersonen nodig voor een experiment met heroïne op medisch voorschrift?

Van Ree: “De verslavingshulpverleners en -medici willen al jaren aan bepaalde categorieën heroïneverslaafden heroïne als medicijn voor kunnen schrijven. De minister heeft uiteindelijk in 1993 een commissie van de Gezondheidsraad om advies gevraagd. In die commissie zaten voorstanders maar ook mensen die absoluut tegen waren. Uiteindelijk heeft men geadviseerd te onderzoeken of de effectiviteit afgewogen tegen de schadelijkheid positief uitvalt. Je moet de koninklijke weg bewandelen, net zoals dat voor elk geneesmiddel gebeurt dat op de markt komt. De minister heeft het advies overgenomen in de drugsnota. Ze heeft de Centrale Commissie Behandeling Heroïneverslaafden ingesteld om een onderzoekprotocol te schrijven. Onderbouwd met wetenschappelijke argumenten komen we tot de conclusie dat een wetenschappelijk onderzoek alleen zin heeft als er 750 mensen aan meedoen, waarvan er ongeveer 650 heroïne zullen krijgen.”

Maar waarom kan het niet met honderd verslaafden?

Van Ree: “We willen aantonen of het verstrekken van heroïne aan langdurig heroïneverslaafden zin heeft. Als 'zinvol' hebben we gedefinieerd dat in een groep verslaafden die heroïne krijgt 20 procent meer mensen voldoende verbeteren dan in een controlegroep van verslaafden die wel methadon krijgt maar zijn heroïne illegaal vergaart. En met een verbetering bedoelen we een merkbare vooruitgang.”

Van den Brink: “Het gaat niet om een iets veranderde bloeddruk of een beetje cognitieve verbetering. Bij 20 procent verbetering is iemands voedingstoestand aanmerkelijk vooruitgegaan, of hij steelt veel minder, of zijn sociale contacten zijn verbeterd. Dus een individu moet minimaal 20 procent verbeteren voordat we hem een responder noemen. En de responders in de behandelde groep moet 20 procent groter zijn dan in controlegroep.”

Van Ree: “We hebben 20 procent verschil genomen omdat dit bij psychiatrische aandoeningen, waarover je het hier hebt, meestal het effect van een geneesmiddel is. Verder willen we het effect van heroïneverstrekking na zes en na twaalf maanden bestuderen. En we willen zowel heroïnespuiters als -rokers onderzoeken. Die twee groepen hebben verschillende kenmerken. Als je een statisticus die gegevens geeft, komt die op 750 mensen om 20 procent verschil tussen de behandelde groepen en de controlegroepen aan te kunnen tonen.”

Hoe ziet de verslavingscarrière er uit van iemand die aan de toelatingscriteria voor het onderzoek voldoet?

Van de Brink: “Iemand die aan de toelatingscriteria voldoet is pakweg eind jaren zestig verslaafd geraakt. Na lange tijd, zo tegen 1980 heeft hij zich voor het eerst gemeld bij een afkickcentrum. De eerste keer is hij weggelopen omdat hij er lichamelijk vreselijk beroerd van werd. Binnen een half jaar was hij terug. Dit keer ging de ontgiftiging goed en was hij clean. Maar op straat kwam hij die lekkere heroïne weer tegen en ging het mis. Dat herhaalde zich een keer of vijf. In die tijd verbraken vriendin en kinderen het contact. Hij ging het methadonprogramma in, maar bleef veel illegale heroïne bijgebruiken. Om dat tegen te gaan kreeg hij het advies een tijdje tachtig milligram methadon per dag te gebruiken, maar toen vond hij het leven niet zo leuk meer. De kick was er niet meer. Hij besloot zelf om minder methadon te nemen, terwijl de hoeveelheid illegale heroïne weer omhoog ging. Hij raakte zijn huisvesting kwijt en hij woont nu op een dubieuze plek met twee andere verslaafden. Zo runnen ze de laatste vijf jaar het leven. Dat is iemand die nu zegt: ik wil het komende jaren toch eindelijk eens wat rustiger aandoen. Zo iemand kan in het onderzoek komen.”

Rustiger aandoen? Wat betekent dat?

Van den Brink: “Die mensen hebben de afgelopen dertig jaar hard gewerkt. Ze gebruiken pakweg 1,5 gram heroïne. Nu kost dat denk ik tachtig gulden, anderhalf jaar geleden nog ongeveer tweehonderd gulden. Vaak gebruiken ze er nog wat coke en andere middelen bij. Dus zeg dat hij jarenlang 250 gulden per dag nodig had. Dan moet je toch voor een waarde van 2.500 gulden stelen. Die jongens zijn nu 35 tot 40 jaar en ze zijn moe. Maar ze denken niet dat ze het zonder dope redden. Zij zeggen: heroïneverstrekking zou ons wat rust gunnen. Wij denken: wellicht zijn er een paar waarbij de situatie zich zo stabiliseert dat ze helemaal zonder dope kunnen. In het Zwitserse experiment, waarvan deze zomer het resultaat bekend werd, had tenminste 6 procent zich binnen een jaar aangemeld voor afkicken. Het was een wat jongere populatie die nog niet uitbehandeld was, maar toch was het een onverwacht resultaat.”

Het onderzoeksprotocol sluit een paar categoriën verslaafden uit: mensen die binnen een jaar zullen overlijden, maar ook verslaafden die op geen enkele manier in contact met de hulpverlening zijn.

Van den Brink: “Die laatsten vormen inderdaad een probleem omdat onder hen de criminaliteit hoog is. Hulpverleners zien hen soms op een politiebureau. Daar krijgen ze kort wat methadon zodat ze in de cel niet al te ziek zijn van de onthoudingsverschijnselen. Maar verder wensen ze geen contact met de hulpverlening. We hebben ons nog niet afgevraagd of die mensen wel voor de hulpverlening met heroïneverstrekking vatbaar zijn. We denken alleen dat ze niet geschikt zijn om deel uit te maken van de onderzoeksgroep. De groep die er nu is, is lastig genoeg om te onderzoeken. Laten we eerst eens kijken of we daar effect in kunnen aantonen. Daarna kunnen we altijd nog kijken of we in die kleine ingewikkelde groep die zich laat behandelen nog iets kunnen bereiken met heroïneverstrekking.”