Scheuren ermee om eerste te worden

Vliegen heeft me altijd gefascineerd. Toen ik jong was, wilde ik ook bij de luchtmacht. Mijn vader vond dat niks. 'Houd je benen toch op de grond, jongen', zei hij. Tijdens m'n militaire diensttijd kwam ik helaas bij de landmacht. Ik zat een tijdje in Indonesië en daar heb ik toch een beetje kennis gemaakt met de luchtmacht. Ik ging vaak mee in een Dakota om parachutisten weg te brengen. Zelf kon ik niet springen door een enkelblessure.

Later, in 1954, begon ik met zweefvliegen. Vooral omdat ik er niets aan vind om te vliegen in een gewoon vliegtuigje. Dat is als een zeilboot die vaart op een motor. Het mooie aan zweefvliegen is het spel met de elementen, met wind en thermiek.

In 1959 - we vlogen toen nog in van die houten brikjes - begon ik mee te doen aan wedstrijden. Dat gaf een nieuwe dimensie aan het zweefvliegen voor mij: het competitie-element. Op mijn eerste NK werd ik vijfde, twee jaar later eerste. In de 24 jaar daarna heb ik die prestatie nooit kunnen evenaren. Bij zweefvliegen heb je een beetje geluk nodig. Het kan gebeuren dat je een noodlanding moet maken. In 1986 was ik opeens weer Nederlands kampioen. In de laatste race heb ik echt moeten scheuren met dat ding om m'n naaste concurrent in tijd voor te blijven.

Ik heb weleens benarde situaties meegemaakt. Op een WK brak ooit op duizend meter hoogte een vleugel. Ik had nooit parachute gesprongen. Toen kwam van pas dat ik in Indonesië veel jongens dat heb zien doen. Wat ik deed? Gewoon uit die kist stappen natuurlijk. En springen met de benen bij elkaar.