Mensen met ME hebben geen recht op WAO

Kan iemand met het chronisch vermoeidheidssyndroom ME (myalgische encefalomyelitis) een WAO-uitkering krijgen? Deze vraag beheerst al enige weken de krantenpagina's. Volgens de Centrale Raad van Beroep, de hoogste rechter op het terrein van de sociale zekerheid, kan het niet. Het GAK, één van de verstrekkers van WAO-uitkeringen, zegt dat het wel kan. En de Tweede Kamer vindt dat het moet kunnen. Rechter, uitvoerder en wetgever zitten op verschillende sporen. Wie heeft er gelijk?

Het standpunt van de Centrale Raad van Beroep is goed te begrijpen. De WAO is een strenge wet. Een uitkering krijg je pas als je aan drie voorwaarden voldoet. Je moet ziek zijn, als gevolg daarvan moet je beperkingen ondervinden voor het verrichten van arbeid, en die beperkingen moeten er op hun beurt toe leiden dat je niet meer in staat bent dat te verdienen, wat je verdiende voordat je ziek werd (in de terminologie van de WAO moet er sprake zijn van verlies aan verdiencapaciteit).

Ziek in de zin van de WAO ben je niet zo maar. De wet definieert het begrip niet, maar vermeldt wel dat de beperkingen die tot verlies aan verdiencapaciteit leiden het rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg moeten zijn de ziekte. De zinsnede 'objectief medisch vast te stellen' bevindt zich sinds 1993 in de WAO. Hij is er in terecht gekomen met de uitdrukkelijke instemming van de Tweede Kamer. Die hechtte er aan dat in de tekst van de wet expliciet tot uitdrukking zou worden gebracht dat niet zo maar iedereen met een vage klacht een uitkering kan krijgen, maar alleen degenen die echt iets mankeren.

De Centrale Raad van Beroep hield en houdt in zijn jurisprudentie steeds streng de hand aan de eis dat ziekte objectiveerbaar moet zijn. Voor een uitkering kom je alleen maar in aanmerking, wanneer vaststaat waar de klachten die je hebt door worden veroorzaakt. Bij ME is dat niet het geval, aldus de Centrale Raad van Beroep. De uitspraak van de Centrale Raad van afgelopen juni, waarin werd beslist dat een ME'er geen WAO-uitkering kreeg, brengt dan ook niets nieuws. Ze spoort met de tekst van de wet en vormt de bevestiging van een jarenlang consistent gevoerd rechterlijk beleid, en is derhalve heel goed te begrijpen.

Rechters zeggen hoe het moet, maar bestuursorganen bepalen meestal hoe het gaat. De uitvoeringsinstellingen (waarvan het GAK er één is) die beslissen of iemand voor een WAO-uitkering in aanmerking komt, leggen soepeler maatstaven aan dan de Centrale Raad van Beroep. Dit valt af te leiden uit de handleiding die verzekeringsartsen gebruiken om te bepalen of iemand ziek is in de zin van de WAO. De handleiding heeft als titel 'Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium' (in het WAO-jargon: de richtlijn), en heeft de status van een beleidsregel. Dat betekent dat de uitvoeringsinstellingen aan iedereen die een WAO-keuring ondergaat, beloven aan de hand van de richtlijn te beoordelen of er sprake is van ziekte.

Wie de richtlijn legt naast de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep ziet dat de richtlijn op vele punten soepeler is dan de jurisprudentie. Het verschil tussen beide is met name van belang waar het gaat om de beoordeling van de klachten van iemand die aanspraak maakt op een WAO-uitkering.

De jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep stelt de uitdrukkelijke eis dat alleen dan sprake is van ziekte in de zin van de WAO, wanneer voor klachten een objectief vaststelbare medische oorzaak wordt gevonden. De richtlijn stelt een dergelijke eis niet. Als achter een klacht een consistent verhaal zit, dan kan dat voldoende zijn om iemand als 'ziek' te beschouwen en hem of haar op weg te helpen naar een WAO-uitkering. De richtlijn geeft op die manier ME'ers een kans op een uitkering. Hoe groot die kans is, hangt af van het oordeel van de verzekeringsarts over de consistentie van het verhaal van de ME'er.

Als het GAK zegt dat ME'ers een WAO-uitkering krijgen, dan is dat in overeenstemming met de feitelijke situatie. Wat in de jurisprudentie in beginsel ondenkbaar is, dat is in de werkelijkheid van de uitvoering van de WAO heel goed mogelijk. Mogelijk, maar niet gegarandeerd. Wie een verzekeringsarts treft die zich niet aan de soepele richtlijn houdt, maar de WAO-keuring uitvoert aan de hand van de strenge maatstaven van de Centrale Raad van Beroep, zal zich - bij het mislopen van een WAO-uitkering - niet met succes kunnen beroepen op het feit dat de verzekeringsarts een belofte heeft gebroken door zich niet aan de richtlijn te houden. De rechter zal een dergelijk beroep afdoen met de constatering dat de verzekeringsarts zich gewoon aan de wet heeft gehouden.

Je zou denken dat de Tweede Kamer, inmiddels op de hoogte van de discrepantie tussen de jurisprudentie over de WAO en de feitelijke beslissingen van uitvoeringsorganen, de uitvoerders zou manen zich beter aan de wet te houden. Zeker omdat de WAO ook het product van de Tweede Kamer zelf is en omdat de Tweede Kamer sinds 1993 tal van andere wetten heeft gesanctioneerd waarin even restrictieve interpretaties van het begrip 'ziekte' worden geven als in de WAO.

Er is echter iets anders gebeurd. De Tweede Kamer heeft zich in meerderheid achter de uitvoerders geschaard en is van oordeel dat een soepele toepassing van de WAO de voorkeur verdient boven een strenge. Dat is opmerkelijk en nogal inconsequent. ME was er in 1993 ook al, evenals andere niet medisch objectief vaststelbare klachten, zoals whiplash en fibromyalgie. Toen vond men dat mensen met deze klachten niet in de WAO thuishoorden.

Als de Tweede Kamer consequent is, spreekt zij uit dat ook degenen die aan whiplash en fibromyalgie lijden voor een WAO-uitkering in aanmerking dienen te komen, en zal zij er op toezien dat ieder die in een recent of ver verleden een WAO-uitkering is misgelopen of kwijtgeraakt vanwege het ontbreken van een objectief medisch vaststelbare oorzaak van zijn of haar klachten, alsnog de kans krijgt om een WAO-uitkering te bemachtigen.

We zullen zien hoe het afloopt. Het minste dat kan worden gezegd is dat de rechter streng lijkt, maar consequent is. De uitvoeringsorganisaties lijken betrokken bij hun klanten, maar ze voeren de wet niet correct uit. En de Tweede Kamer handelt opportunistisch en - maar dat moet nog blijken - heel ondoordacht.