Kosmonauten van Mir bijten van zich af

De teruggekeerde bemanning van de Mir heeft zich verdedigd tegen de kritiek, als zou alle malheur aan de Mir het resultaat zijn van hun falen. Als de kosmonauten Tsiblijev en Lazoetkin volgens het boekje hadden gehandeld, zou de Mir verloren zijn gegaan.

MOSKOU, 18 AUG. Tot drie keer toe gaven de vluchtinstructies aan: “Verlaat het schip! Verlaat het schip!”, maar de door hele en halve ongelukken achtervolgde bemanning van het Russische ruimtestation Mir negeerde het alarm en bleef aan boord, koppig als een kapitein van een bijna zinkend schip.

Zaterdag kregen commandant Vasili Tsiblijev en boordwerktuigkundige Aleksandr Lazoetkin, terug van een verblijf van een half jaar in de Mir, in het kosmonautenstadje Sterrendorp eindelijk het podium om zich te verdedigen tegen de snelle oordelen die op aarde, óók door president Jeltsin, waren geveld: dat menselijk falen - hún falen - hun missie tot “de meest problematische uit de geschiedenis van de bemande ruimtevaart” had gemaakt. “Velen hadden ons graag zien doodgaan”, zei Tsiblijev verbitterd. Hij vertelde in het Huis der Kosmonauten hoe de bemanning het schip met gevaar voor eigen leven had weten te behouden. “Als wij broddelaars en lafaards waren, hadden we de Mir al op 23 februari verlaten, toen er brand uitbrak.” Tegen de veiligheidsvoorschriften in, die een noodevacuatie voorschreven, hadden ze de vlammen, die uit een ontplofte zuurstofgenerator sloegen, met natte handdoeken gedoofd.

Toen er niet lang daarna giftige koelvloeistof uit de leidingen van de airco begon te lekken, en er een hete, zweterige atmosfeer ontstond, kregen de ruimtevaartvaarders opnieuw de opdracht om met de Sojoez-capsule naar de aarde terug te keren “als ze de situatie niet snel weer onder controle zouden krijgen”. Hoe snel, dat was niet duidelijk. In werkelijkheid had het repareren van de klimaatregelaar drie maanden gekost, zo merkte Tsiblijev op.

Het derde kritieke moment kwam op 25 juni, toen de gezagvoerder aan het oefenen was met het handmatig koppelen van een onbemand Progress-vrachtschip aan de Mir. De botsing die zich toen voordeed zette het voortbestaan van het hele Russische ruimtevaartprogramma op het spel. Nog steeds weet Tsiblijev niet waarom de Progress uit koers raakte en tot twee maal toe de Spektr-compartiment ramde. Deed hij iets fout? Was hij vergeten de juiste gegevens in de computer in te voeren - zoals de Russische krant Segodnja meldde?

De Komsomolskaja Pravda schreef vrijdag spottend dat Tsiblijev in de Sovjettijd gestraft zou zijn met een “eeuwige verbanning in de ruimte” en dat hem dan niets anders restte dan politiek asiel te vragen in de Amerikaanse spaceshuttle Atlantis. “In Rusland bestaat een lange traditie om zondebokken aan te wijzen”, zei de commandant ter verdediging. “Maar in dit geval is er niet een schuldige aan te wijzen.”

Zondag al leek hij zijn gelijk te krijgen: de boordcomputer van de Progress, die op 70 kilometer van de Mir in een baan om de aarde is geparkeerd, schakelde zichzelf onverwacht uit, waardoor een geplande koppeling met het ruimtelab te elfder ure moest worden uitgesteld.

“Dit is een puur technisch mankement: een programma voor de automatische koppeling is niet goed door de computer van de Progress opgepikt”, zei vluchtleider Vladimir Solovjov sussend. “Het probleem is gemakkelijk te verhelpen.” De brandstof en de stuwraketjes van de Progress zijn nodig als reserve-besturingssysteem voor het geval de navigatie-apparatuur van de Mir opnieuw uitvalt. In juli tuimelde het schip een etmaal lang onbeheerst door de ruimte.

Zowel Tsiblijev als Lazoetkin vindt het te vroeg om het ruimtestation, waarvan de geplande levensduur van vijf jaar al met zes jaar is overschreden, af te schrijven. “De Mir is als een oud huis”, zei Lazoetkin. “Het vergt veel onderhoud en herstelwerk, maar bewoonbaar is het wel.” Volgens plan begint de nieuwe bemanning, bestaande uit twee Russen en de achtergebleven Amerikaanse gastastronaut Michael Foale, woensdag aan de op aarde geoefende en uitgedachte reparatie van de averij die de Mir eind juni opliep.