Hoe verder van de grens, des te duurder de benzine

Leo Dietz pleit voor het doorberekenen van milieukosten in de prijs van producten, noemt een benzineprijs van enkele guldens per liter als goed voorbeeld van wat hij wil en stelt dan vast dat Nederland zo'n maatregel niet alleen kan nemen (NRC Handelsblad, 1 augustus). Maar dat kan wèl, als de benzineprijs in Nederland plaatsafhankelijk is.

De enige reden waarom de benzineprijs in Nederland niet veel hoger mag zijn dan in België en Duitsland is het benzinetoerisme. Hoe groter het prijsverschil, hoe meer kilometers mensen afleggen om goedkoop te tanken aan gene zijde. Stel de prijs in Nederland is 5 gulden per liter, zoals Dietz suggereert, en die in Duitsland is 2 gulden per liter. Dan levert een volle tank van 50 liter een voordeel op van 150 gulden. Bij een verbruik van 1 op 10 betaalt een benzinetoerist 20 cent per kilometer aan benzine (de Duitse prijs) en kan hij voor het uitgespaarde bedrag 750 kilometer rijden, dat is 375 km heen en terug. Bij een dergelijk prijsverschil zou zelfs iemand uit Den Helder nog in Duitsland kunnen gaan tanken, ware het niet dat hij met een halfvolle tank zou moeten vertrekken om de grens te halen en met een half lege thuis zou komen. Ik maak hier expres de gebruikelijke denkfout dat benzine de enige kostenpost is van het autorijden. Omdat dit voor wat volgt een mooi worst case-scenario is, blijf ik dat nog even doen.

Hoe belet je dat iemand ver van huis gaat tanken? Je maakt de baten zo klein mogelijk. Iemand die 10 km van een goedkope pomp woont, betaalt 4 gulden aan benzine voor een retourtje Tankstelle en verdient 50 maal het prijsverschil per liter. Dus als het prijsverschil per liter kleiner is dan 400 cent gedeeld door 50 = 8 cent, brengt het deze persoon niets op.

Dit gaat natuurlijk niet alleen op in de grensstreken. Je zou het land, van de grenzen tot aan de kust, in stroken kunnen verdelen en in elke strook een andere benzineprijs kunnen vaststellen. Van de grens af gerekend mag de benzine dan elke 10 kilometer 8 cent in prijs stijgen, dan loont het niemand om kilometers te maken voor het tanken. Veronderstellingen daarbij zijn een benzineverbruik van ongeveer 1 op 10 en een tankinhoud van 50 liter. Auto's met een lager verbruik of een grotere tank kunnen grotere afstanden rijden bij een geringer prijsvoordeel en dan nog wat geld verdienen.

Tot zover het worst case. In werkelijkheid gaat niemand voor een paar dubbeltjes een half uur op pad. Als het prijsverschil aan de grens 10 of 20 cent zou zijn, zou het benzinetoerisme vrijwel tot stilstand komen. Met 15 cent voordeel per liter verdien je 7,50 gulden. Dan ga je niet twee keer 10 km rijden, en 4 gulden spenderen aan benzine. Dat betekent dat de benzineprijs in zeewaartse richting met circa 15 cent per 10 km kan stijgen. In de omgeving Amsterdam, 150 km rijden van zowel Duitsland als België, kan de prijs dan ruim 4 gulden per liter zijn. Juist daar zou dat in verband met verkeer en milieu goed uitkomen.

Valt een dergelijk beleid te realiseren? Een overheid die naar willekeur accijnzen oplegt, onafhankelijk van andere Europese landen, kan vast ook wel accijnzen opleggen per gemeente, of per postcodegebied. Het eeuwige probleem van de pomphouders aan de grens is dan uit de wereld; de prijs aan de grens zou zelfs omlaag kunnen.

Er zal wel weer tegen gelobbyd worden, bijvoorbeeld door pomphouders die merken dat ze aan de oostelijke rand van een voorgestelde zone zitten. Daar krijg je de grensproblematiek in het klein. Overal in het land zullen mensen met weinig geld, goedkope auto's, grote jerrycans en veel tijd een eindje zuid- of oostwaarts gaan tanken, maar dat zullen er niet veel zijn. Bovendien valt dat te beïnvloeden door fijnregeling van de prijsverschillen.