Het verschil tussen pop en poëzie

Tijdschrift Schrijven, nr. 4 juli/augustus. Uitg. Stichting Schrijven. Losse nummers ƒ 9,95, inlichtingen 020-6254141.

Liedteksten zijn geen gedichten. Wie een songtekst te lijf gaat met 'het analyseapparaat van de poëzie' is op de verkeerde weg en dreigt allerlei banaliteiten met diepzinnige bewoordingen aan te kleden, daarmee zichzelf belachelijk makend en de oorspronkelijke tekst verdrinkend. Dat betoogt Daniëlle Serdijn in Tijdschrift Schrijven, een tijdschrift voor beginnende schrijvers.

Serdijn vindt het mal om te doen alsof de charme of de ontroering van een liedje in de eerste plaats in de tekst zou zitten. Die zit in de muziek, schrijft ze, en poprecensenten die zich verliezen in uitgebreide tekstinterpetatie hebben het in feite over het verkeerde. Zo heeft ze ook weinig op met het idee achter de bloemlezing Double Talk waarin teksten van onder meer de Osdorp Posse, de Lijkepikkers en de Spookrijders zijn opgenomen, om duidelijk te maken dat rapteksten een eigen literair genre vormen, vanwege, zoals in de inleiding staat, 'het strakke metrum, alliteraties, assonanties en taalspelletjes'. “Maar,” schrijft Serdijn, “wanneer je deze gedachtegang volgt kun je onder hetzelfde mom een boemlezing van reclameteksten maken”. De vormovereenkomsten tussen twee genres lijken haar onvoldoende reden om ze aan elkaar gelijk te stellen. Popmuziek is geen poëzie. “Het medium verdraagt simpelweg geen zwaarwichtige analyses.”

Het heldere en beargumenteerde stuk richt zich tegen de recentelijk veel vernomen opvatting dat de 'nieuwe poëzie' vooral in de muziek te vinden zou zijn. Zowel de pop als de poëzie worden erin in hun waarde gelaten, ze zijn verschillend, ze zijn alletwee de moeite waarde, maar we moeten niet gaan doen alsof het een eigenlijk een vorm van het ander is. Dat klinkt wel weer eens prettig.

In hetzelfde tijdschriftnummer vertelt Bram Vermeulen over de ambachtelijke kanten van het schrijven van een liedtekst. Ook hij doet niet alsof dat eigenlijk poëzie is, al hecht hij veel, om niet te zeggen alle, waarde aan een goede tekst. Want als die niet goed is kan een optredende artiest hem ook niet goed brengen. Vermeulen geeft workshops over het schrijven van teksten en uit dit interview wordt wel duidelijk dat wie zo'n workshop volgt zijn tijd niet zit te verdoen. Vermeulens aanwijzingen zijn simpel en praktisch: “Van tevoren moet je beslissen: verklaar ik mijn liefde rechtstreeks aan haar, of vertel ik mijn liefde aan de wereld. En: vertel ik vanuit mezelf, of gebruik ik een hij-vorm.” Het lijkt allemaal heel juist, het is glashelder en tegelijk is het, al is dat niet de schuld van Vermeulen, ook een beetje erg eenvoudig. Een lezer zou wel graag meer finesses willen, iets te weten komen over hoe het nu werkelijk gaat, het schrijven van een liedtekst.

Tijdschrift Schrijven, dat wordt uitgegeven door de Stichting Schrijven, wil op een enthousiaste manier van alles duidelijk maken over hoe dat nu gaat, schrijven. Daarom werd Elsbeth Etty gevraagd om tien tips te geven voor het schrijven van een biografie, worden diverse jonge schrijvers geïnterviewd over hun debuut, hun opvattingen en verwachtingen, wordt in een kort artikeltje in grote lijnen uiteengezet wat het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten en het Fonds voor de Letteren doen, vertelt een televisie-presentator (Bas Westerweel) over zijn lievelingsboek enz. enz. Erg diep graaft het allemaal niet, maar er spreekt wel gedrevenheid uit. Je vraagt je alleen af voor wie dit allemaal geschreven is - vermoedelijk is de ideale lezer jong, totaal onwetend op het gebied van literatuur en het literaire bedrijf en vastbesloten 'iets met schrijven' te gaan doen. Zo'n lezer kan zeker plezier hebben van het blad. Wie meer wil, wie bijvoorbeeld benieuwd doorbladert naar het stuk dat Aly Freie (het kost in de olijke vormgeving even moeite om de naam van de auteur te vinden) over de onlangs overleden Herman de Coninck schrijft, die wacht een teleurstelling. Het stuk over De Coninck citeert vooral erg veel De Coninck zelf, wat op zichzelf niet vervelend is, maar voor een beschouwing wel een beetje armoedig. Aan een visie op De Coninck als schrijver over poëzie of een beeld van de dichter De Coninck komt Freye niet toe. Na drie bladzijden citaat eindigt het stuk met een nogal onmachtig zinnetje: “De Coninck brengt mij in zijn essays dichter bij de poëzie en ook bij zijn eigen beleving van het mysterie van leven en dood.” Dat is niet het soort schrijven waar adspirant-auteurs een voorbeeld aan moeten nemen.