WEDERGEBOORTE VAN EEN TWIJFELAAR

Een echte killer zou Marcel Wouda wel nooit worden, riepen zijn critici de afgelopen jaren in koor. Maar dat was toen, zegt de 25-jarige zwemmer. Tijdens de EK in Sevilla staat de wereldrecordhouder op de 400 meter wisselslag vastberaden op het startblok. “Jarenlang heb ik verzwegen dat ik wereldtop ben.”

Wie zich dezer dagen meldt op http://www.iaehv.nl/users/wouda/ stuit op gedateerde informatie. Het onderhoud van de website van zwemvereniging PSV kan Internet-freak en homepage-beheerder Marcel Wouda gestolen worden. Hoewel hij zijn laptop overal mee naar toe zeult, zijn de uren die hij achter het beeldscherm doorbrengt de laatste maanden op de vingers van een hand te tellen. “Zo af en toe verstuur ik nog wel een e-mailtje vanuit mijn hotelkamer. Meer niet. Het zwemmen staat momenteel centraal, de rest is bijzaak. Je moet keuzes durven maken. In mijn geval betekent dat heel hard zwemmen en verder geen flauwekul.”

De laatste update van de PSV SwimWeb dateert van 15 februari, een week nadat Wouda voor de tweede keer het wereldrecord op de 400 meter wisselslag verbeterde. Onder de kop 'Wereldrecord Wouda' doet hij in sobere, bijna afstandelijke bewoordingen verslag van zijn eigen machtsvertoon. “Tijdens het wereldbekercircuit heeft Marcel Wouda tweemaal het wereldrecord op de 400 meter wisselslag verbroken. De eerste keer in het Duitse Gelsenkirchen in een rechtstreeks duel tegen zijn grootste concurent in het circuit, de Australiër Matthew Dunn. De tweede keer zonder veel tegenstand in de wereldbekerfinale in Parijs. De eerste keer was zijn tijd 4.05,59, de tweede keer 4.05,41.”

Spreken doet Wouda met meer elan. Het Amerikaanse accent, gevolg van een driejarig verblijf in de Verenigde Staten, heeft hij ingeruild voor de vertrouwde Brabantse tongval. Hij praat met een mengeling van trots en berusting. Op zijn 25ste is Marcel Wouda eindelijk volwassen geworden, zo merkt hij bijna terloops op. “Ik relativeer meer en stel me veel egocentrischer op. De laatste vijf, zes jaar heb ik alles wel zo'n beetje gezien en meegemaakt. In Amerika, in Nederland, ja, waar niet eigenlijk? Ik weet inmiddels wat winnen is en ik weet wat verliezen is. Dat laatste is belangrijker dan het eerste. Vroeger baalde ik vreselijk van een nederlaag. Dan trok ik me terug op mijn kamer en verwerkte ik het verlies in stilte. Tegenwoordig is mijn race voorbij zodra ik die muur aantik in de wetenschap dat wie mij voorbij wil, vreselijk hard zijn best zal moeten doen.”

Nee, de Marcel Wouda van een paar jaar geleden bestaat niet meer, zegt hij nog maar eens. Bevangen door de stress verknoeide hij zijn starts op de Spelen van 1992 in Barcelona. Tegenwoordig staat hij vastberaden op het startblok en gaat de 2.02 meter lange Brabander zowel letterlijk als figuurlijk door het leven als 'een grote jongen'. Wat anderen ook mogen beweren. “Natuurlijk ken ik die geluiden. Ik zou te onzeker zijn, ik zou te aardig zijn en meer van dat soort verhalen. Allemaal pogingen om te achterhalen waarom ik het de laatste jaren heb laten afweten op de belangrijke momenten.”

Leuk is anders, maar tegenspreken doet Wouda de kritiek niet. “Bij de EK in 1993 won ik brons en een jaar later vonden ze me terug in de B-finale bij de WK in Rome. Dan is het niet vreemd dat er in sommige kranten verhalen verschijnen waarin ik 'mentaal zwak' word genoemd. En het zat voor een groot deel ook tussen mijn oren. Ik stak niet lekker in mijn vel en was daarom niet in staat om mezelf mentaal op te laden. Dat ze me vervolgens ook nog eens schuchter en verlegen noemden. Wat moet ik daar op zeggen? Ik heb rond die tijd inderdaad nooit van de daken lopen schreeuwen hoe goed ik wel niet was.”

Van die vermeende schuchterheid is anno 1997 weinig meer te bespeuren. Wouda zegt de favorietenrol niet te schuwen. Met minder dan één medaille neemt hij geen genoegen in het Spaanse Sevilla waar dinsdag de Europese kampioenschappen beginnen. “Wat moet ik anders zeggen? Dat de wereldrecordhouder geen medaillekandidaat is. Dat zou onzin zijn. Dan zou ik liegen bovendien. Ik ben wereldtop. Jarenlang heb ik dat verzwegen voor de buitenwereld en misschien ook wel voor mezelf. Maar nu durf ik dat hardop te zeggen en de wereldranglijst erbij te pakken en mijn eigen naam aan te wijzen. Kijk, daar staat Marcel Wouda en die staat niet op de laatste plaats.”

Aan zijn lijf voortaan geen sportpsycholoog meer. “Na de WK in 1994 heb ik een tijdje een sportpsychologe bezocht. Op zich had ik daar wel baat bij, maar op gegeven moment was ook dat weer voorbij. Wel honderd psychologen kunnen mij vertellen vooral in mijzelf te geloven. Ik moet het echter toch zelf doen. Het water in, heen en weer zwemmen en dat zo hard mogelijk. Zo simpel is zwemmen.”

Het tot twee keer toe breken van het wereldrecord op de korte baan (25 meter) vormde voor Wouda een bevestiging van zijn mogelijkheden en het bewijs van zijn innerlijke gedaanteverwisseling. “Niemand kan nu meer zeggen dat ik niet kan presteren onder druk. In Gelsenkirchen was het een nek-aan-nek-race met Dunn. Maar in Parijs stond ik er helemaal alleen voor en was de druk groot nadat ik had aangekondigd een aanval te zullen doen op mijn eigen record.”

Toch was het niet alleen lof die Wouda kreeg toegezwaaid. Was het niet opvallend dat hij uitgerekend in een post-olympisch jaar het wereldrecord aanscherpte? Pas zes maanden na de Spelen in Atlanta gaf hij thuis. Dat was een half jaar te laat en bovendien op de 'inferieure' korte baan. Wouda weerspreekt die kritiek met klem. “In Atlanta stond ik er. Een vierde en een vijfde plaats, daar valt weinig op af te dingen. Wanneer was het voor laatst dat een Nederlandse zwemmer vierde en vijfde werd op een Olympische Spelen? Nou? Nu waren er zelfs twee, Pieter van den Hoogenband en ik.”

Nee, critici dient hij van repliek en ze moeten van verdomd goede huize komen willen ze hem van zijn stuk brengen. “Een echte killer zal Wouda nooit worden”, sprak zijn voormalige coach John Urbanchek tijdens de Spelen in Atlanta. Wouda raakte niet onder de indruk. “Als hij dat wil zeggen, moet hij dat maar doen. Hij heeft recht op zijn mening, maar is mijn coach niet meer. Bovendien zwem ik niet voor mensen als Mister Urbanchek, maar louter en alleen voor mijn eigen plezier. Vroeger trok ik mij zo'n uitspraak aan. Het maakte me onzeker. Nu lees ik het en leg ik het naast me neer. Ik bepaal wel of ze wel of geen gelijk hebben en in het geval van Mister Urbanchek kan ik zeggen dat hij, al zijn verdiensten voor de zwemsport ten spijt, het bij het verkeerde eind heeft.”

Wouda zegt niettemin gehard te zijn door zijn verblijf in de Verenigde Staten. Onder leiding van 'kampioenenkweker' Urbanchek, een Hongaarse vijftiger die na de Russische inval in 1956 uitweek naar Amerika, beulde hij zijn lichaam dagelijks af in het zwembassin van de universiteit van Michigan. In zijn eerste jaar gingen zijn prestaties met sprongen vooruit, maar in de daaropvolgende twaalf maanden stagneerde zijn ontwikkeling. Bij de WK 1994 in Rome stelde hij ernstig teleur en vertwijfeld zocht Wouda naar oorzaken.

“Ik kwam tot de conclusie dat ik geen steek verder kwam. Urbanchek is een man die veel heeft betekend voor de zwemsport, maar zijn grootste successen liggen in het verleden. Zijn trainingsmethodes zijn sterk verouderd. Het was elke dag maar weer hetzelfde. Als zwemmer word je daar gek van. Ondertussen verloor Urbanchek langzaam maar zeker zijn vertrouwen in mij. Met als gevolg dat ik zelf ook niet meer wist wat ik kon en wat ik wilde.” Wouda sprak de Hongaar tevergeefs aan op diens rigide aanpak. “Ik heb hem verteld dat hij zijn zwemmers niet meer kan motiveren. 'Ik wil nadenken over het zwemmen en niet zomaar klakkeloos uitvoeren wat mij opgedragen wordt.' Dat was nieuw voor hem”.

Enigszins gedesillusioneerd keerde Wouda twee jaar geleden terug in Nederland waar hij aangenaam verrast werd door het sterk verbeterde topsportklimaat. “Een wereld van verschil met toen ik in '92 vertrok.” Wouda sloot zich aan bij PSV, de ambitieuze zwemvereniging uit Eindhoven en beleefde een wedergeboorte. Spijt van zijn Amerikaanse avontuur zegt hij niet te hebben, maar aan de constatering dat hij “te vaak te graag en te veel wilde” ontkomt hij niet. “Ik luisterde niet goed genoeg naar mijn eigen lichaam. In de aanloop naar een toernooi trainde ik me suf, met als gevolg dat ik te vaak was afgebrand als het er werkelijk op aankwam.”

Wouda staat bekend als een trainingsbeest, maar om de wereldrecordhouder af te schilderen als een masochist voert hem te ver. “Zwemmen doet soms pijn. Maar het werken op de grenzen spreekt mij aan. Vergelijk het maar met mensen die voortdurend te hard rijden. Waarom doen ze dat? Kennelijk is dat een genot. Datzelfde genot vind ik in het water. Prestaties komen bovendien niet vanzelf, maar het is niet meer zo erg als een paar jaar geleden. Toen dacht ik: hoe meer ik train, hoe beter ik presteer. De verhouding arbeid-rust was zoek. Pas bij PSV heb ik het verschil ontdekt tussen hard trainen en veel trainen.”

In Eindhoven wordt Wouda gecoacht door Jacco Verhaeren, de pas 28-jarige trainer die door velen wordt gezien als het brein achter de sportieve opmars van de Nederlandse zwemmers. Tussen zijn oude en nieuwe coach schuilt volgens Wouda een wereld van verschil. “Net als Urbanchek verlangt Jacco ook discipline, maar hij eist het niet. De verantwoordelijkheid ligt bij ons, bij de zwemmers. Wij dragen de discipline aan en willen we niet, oké, dan is het ook goed, maar dan hoeven we niet bij Jacco aan te komen als de prestaties tegenvallen.”

Discipline is een heilig begrip voor Wouda, maar zaligmakend is het tegenwoordig niet meer. “Een paar jaar geleden zou ik het niet in mijn hoofd hebben gehaald om 's avonds nog eens een bord patat naar binnen te schuiven. Niet dat ik dat tegenwoordig regelmatig doe. Maar als ik daar zin in zou hebben, houdt niemand mij tegen. Want van een paar keer slecht eten ga ik echt niet minder zwemmen.”

In Sevilla start Wouda op tenminste vier onderdelen: de 200 meter vrije slag, de 200 en de 400 meter wisselslag en de 4x200 vrije slag. In Spanje vervult hij bovendien de rol van kopman van de Nederlandse afvaardiging. Met alle verantwoordelijkheden van dien. “Sommige jongens - ik zal geen namen noemen - raggen er maar op los in die autootjes van het NOC*NSF. Het leek hier bij het hotel gisteren wel een racebaan. Daar heb ik ze op aangesproken. Gezegd dat het hier geen speeltuin is en dat wij onder contract staan bij PSV en verantwoordelijkheden dragen. Volgens mij kwam de boodschap wel over.”