Column

Voetbal

'Voetbal moet weer voor het hele gezin worden', riep Michael van Praag een jaar geleden en verkwanselde vervolgens bijna alle thuiswedstrijden van mijn cluppie aan Canal+. De competitie is aangepast aan het uitzendschema van deze betaalzender en Ajax speelt nu bijna al zijn thuiswedstrijden op doordeweekse avonden.

Echt een goede avond om met je leerplichtige zoon van zeven richting de Arena af te reizen. Geef hem dan de volgende dag vrij, zult u denken, maar op spijbelen staat vanaf dit schooljaar in Amsterdam een onvoorwaardelijke Iraanse gevangenisstraf van zes jaar en dat heb ik er nou ook weer niet voor over. Jarenlang was Ajax mijn veertiendaagse weekend-uitje. Met een paar vrienden in hetzelfde vak en we zaten in De Meer zo gezellig dicht op het veld dat als we een keer diep inademden we zonder problemen het krijt van de lijnen snoven. Dat noemden we boutersen. De F-side hield al zingend de stemming erin, het was een van de weinige stadions waar niet provinciaal gewaved werd en als het publiek na een doelpunt juichte dan wapperden de hoekvlaggen door de luchtverplaatsing.

Nu zit ik ergens ver weg; mocht ik wat willen roepen, dan hoort door de zwembadakoestiek niemand het en het enige voordeel daarvan is dat mijn joodse vrienden de verschrikkelijke teksten uit het vak van de tegenstander niet meer verstaan. Voor aanvang van de wedstrijd loopt er tegenwoordig een werkstudent met een schuimrubberen Ajax-helm op en deze mascotte, Champy genaamd, moet ons aanzetten tot juichen. Ik zag het afgelopen seizoen met lede ogen aan en vroeg me af of het Ajax-bestuur van mening is dat het voltallige publiek met een debielenbusje uit een gesloten inrichting afkomstig is. Nou weet ik dat veel publiek balanceert op de grens tussen debiel en imbeciel, maar er zitten ook gewone mensen tussen. Gewone mensen die voor hun lol naar een potje voetbal komen loeren en oud en wijs genoeg zijn om te bepalen wanneer ze zelf willen juichen, joelen of fluiten. Die schuimrubberen werkstudent zal wel een uit Amerika overgewaaid ideetje zijn en een of andere marketing-glibber, die van zijn lang zal ze leven nog nooit naar een voetbalwedstrijd is geweest, heeft het hier waarschijnlijk geïntroduceerd als bliksemafleider of agressiebeteugelaar. Daar wordt het volk rustig van. Behalve ik. Ik krijg dan een enorme neiging om te gaan slaan, beuken en meppen. Komend seizoen hoef ik mij niet meer te ergeren omdat ik door mijn werk bijna geeneen wedstrijd meer kan zien. Of zal ik mijn theatertournee aanpassen aan het uitzendschema van Canal+?

Diep in mijn hart vind ik het niet zo erg. Op de een of andere manier is mijn clubliefde voor Ajax tanende. Waarom? Omdat de club geen club meer is. De club is een bedrijf. Als ik inlichtingen over mijn seizoenkaart wil, dan kan ik een nummer voor 44 cent per minuut bellen en laatst werd ik voor een gulden of zeven in de wacht gezet. Vroeger was dat toch gewoon service? Mijn kantoor wordt duizenden keren per jaar gebeld met de vraag of men een tourneelijst mag en ik heb iemand die beleefd antwoord geeft en eventueel een lijstje stuurt. Zonder kosten. Maar alles is geld in die wereld. Onlangs las ik een interview met de schoonvader van een van de broertjes De Boer en hij legde uit dat als je met Ronald of Frank wil praten er tegenwoordig voor betaald moet worden. Laatst reed ik door Abcoude, vroeg aan iemand de weg en kreeg drie dagen later een rekening van vierhonderd piek. Ik had toevallig Ronald getroffen. Ik zal het dit seizoen regelmatig moeten laten afweten en vind dat niet zo erg. Van al dat geld word ik een beetje misselijk en moet denken aan Henri Kissinger. Hij gaf ooit adviezen aan het internationale bedrijfsleven en het gerucht ging dat hij tienduizend dollar per vraag kreeg. Een journalist vroeg hem of dat waar was, waarop Kissinger zei:'Yes, that's true. Next question please!'