Versterven is in de praktijk al gauw een eufemisme voor euthanasie

Het doelbewust onthouden van vocht en voeding als middel om het levenseinde van een demente bejaarde te bespoedigen is een vorm van actieve levensbeëindiging, die moreel verwerpelijk is. Niet iedereen deelt deze mening. Sommigen achten 'versterven' als actieve levensbeëindiging soms wel aanvaardbaar. Deze verdedigers baseren zich op argumenten die ook euthanasie aanvaardbaar maken.

Het gaat hier echter om twee verschillende zaken, die ten onrechte en te snel aan elkaar worden gekoppeld. Debet hieraan is onder andere het woord 'versterven' zelf. Dit wordt gebruikt op een wijze die onrecht doet aan wat er aan de hand is. Bovendien blijken de diverse commentatoren er verschillende betekenisssen aan te geven. De gebeurtenissen in 't Blauwbörgje en de discussies daarover hebben geleid tot polemieken over wat versterven nu precies is en over de morele aanvaardbaarheid ervan. Deze beide vragen probeert Chabot te verhelderen in zijn bijdrage in NRC Handelsblad van 5 augustus. Hij schrijft daar dat versterven een milde dood tot gevolg heeft en dat het initiatief ertoe bij de demente oudere hoort te liggen. Wat dit laatste betreft voelt hij zich gesteund door het rapport Medisch handelen rond het levenseinde bij wilsonbekwame patiënten van de KNMG.

In de term 'versterven' worden drie zaken samengebracht: een proces bij de demente oudere, een handelen van de patiënt en een handelen van artsen.

In wat we waarnemen zien we allereerst een fysiologisch proces van lichamelijke en geestelijke achteruitgang. Daarna kunnen we ook een handelen van de patiënt onderkennen: hij eet of drinkt niet meer, althans niet in voldoende mate. Hier dient zich meteen de eerste vraag aan, namelijk naar de relatie tussen fysiologisch proces en handelen van de patiënt. Waarom en waartoe handelt hij zo? Kan of wil hij niet meer? Chabot schrijft: hij wijst het aangebodene af.

Is die interpretatie niet voorbarig? De primaire morele vraag is niet, zoals Chabot zegt, of de patiënt voedsel en vocht mag weigeren, maar of wij - omstanders, artsen, familie - voldoende ontvankelijk zijn voor wat de patiënt met zijn handelen tot uitdrukking brengt. In het waarnemen, beschrijven en interpreteren van soorten handelingen worden de grootste morele gevechten geleverd. Daar lopen we het risico de situatie uit haar voegen te tillen door via een benoeming (dit is een doodswens, dit is euthanasie, dit is versterven, dit is een weigering) eenduidigheid aan een fenomeen toe te schrijven, voordat we proces en handelen van de patiënt nauwkeurig hebben waargenomen.

Ten derde wordt versterven opgevat als een vorm van medisch handelen, respectievelijk nalaten, namelijk het onthouden van vocht en voedsel. Chabot (evenals de KNMG) benoemt dit als 'niet-levensverlengend handelen', dat wil zeggen het afzien van “een ingreep die geen herstel bewerkt maar slechts tijd aan leven toevoegt”. Een voorbeeld van zo'n ingreep is een PEG-sonde, welke door hem dan ook afgezonderd wordt van de normale verzorging. Deze toediening kan echter ook gezien worden als middel ten dienste van elementaire zorg: voor lichamelijk welzijn, iemand laten genieten binnen de gegeven beperkingen en het in stand houden van de band tussen de demente en zijn familie. Uiteraard moet dit middel proportioneel zijn, mag een onomkeerbaar sterfproces niet worden gerekt en mag het niet indruisen tegen een helder gebleken wens van de patiënt.

Al deze verschillende betekenissen - versterven als proces, als handelen van de patiënt en als medisch handelen - zijn in beginsel denkbaar, keren terug in de discussie en worden aan elkaar gekoppeld. Toch lijkt de interpretatie van versterven als het gedrag waarin de patiënt een doodswens uitdrukt en het daarmee corresponderende medische besluit om niet meer levensverlengend te handelen, de discussie te domineren. Hier is de invloed van het euthanasiedebat zichtbaar en de maatschappelijk-culturele ontwikkelingen die zich in het spoor daarvan voltrekken.

Op het niveau van de definities is versterven geen euthanasie. In Nederland is de term euthanasie officieel gereserveerd voor mondige, wilsbekwame patiënten. Maar voor de rest komen alle argumenten die euthanasie aanvaardbaar maken terug in de morele rechtvaardiging van versterven. Hoewel Chabot en de KNMG versterven en euthanasie willen scheiden voert hun argumentatie tot het tegendeel. Zij kwalificeren de toestand van dementie als ondraaglijk en uitzichtloos. Medisch handelen wordt teruggebracht tot levensverlengend of levensverkortend.

Afgezien van het problematisch karakter van het achterhalen van die wens bij demente patiënten, delen wij dit uitgangspunt voorzover het een dam opwerpt tegen vormen van behandeling en verzorging die iemand niet wil. En ook voorzover het resulteert in een poging zo goed mogelijk te achterhalen wát iemand wil, beweegt en denkt. Dat laat onverlet, dat ook los van respect voor autonomie artsen en verzorgenden op basis van hun professionele doelen tot een oordeel moeten komen welk goed hier en nu voor deze patiënt 'ex professo' kan worden gerealiseerd en welk kwaad kan worden weggenomen.

De crux in de problematiek van versterven ligt dus in de interpretaties van wat we waarnemen. Interpreteren is nooit een louter individuele zaak. Maatschappelijke betekenissen, waarden en bepaalde rangordes tussen beide gonzen altijd mee bij interpretaties en sturen het handelen.

Eén van die waardeoordelen is de niet-medische kwalificatie van dementie als 'ontluisterend', hetgeen betekent: ontdaan van zijn glans of aanzien. Geen term is wellicht gevoeliger voor culturele beïnvloeding dan deze. Dat verleent haar ook de kracht van een handelingsaanwijzing. Een van de essentiële opdrachten voor zorgverleners en voor mensen in het algemeen lijkt ons juist te zijn, mensen, wier maatschappelijke luister op het spel staat, tot aanzien te brengen en te houden.

Dit is meer dan vroom en ijdel idealisme: het gebeurt dagelijks in verpleeg- en verzorgingshuizen en door familieleden van dementerenden. Eenzijdig wordt op dit moment ontluistering gehanteerd als argument om het leven te laten of te doen aflopen. Die eenzijdigheid belemmert ontluistering te zien als een maatschappelijke handelingsaanwijzing, die de blik kleurt op de vraag wat je kunt/moet doen om de demente mens in aanzien te houden.

Misschien is het beter het woord versterven maar te vergeten, zodat artsen, verzorgenden en betrokkenen zich zuiverder kunnen richten op de vraag wat het betekent dat iemand niet meer eet en drinkt en wat dat betekent voor het goede dat we alsnog voor deze patiënt kunnen realiseren. Zo'n goed kan zijn de patiënt te laten 'afsterven', maar nooit om de patiënt te doen sterven door hem met dat doel vocht en voedsel te onthouden.