Sociologische heiligen; Verering van Durkheim, Weber en Marx is een teken van zwakte

In geen wetenschap wordt een handjevol negentiende-eeuwse pioniers zo vaak geciteerd en becommentarieerd als in de sociologie. Ze zijn het houvast in barre tijden.

IN HET VOORWOORD van de veelgebruikte Dictionary of Sociology (Penguin Books 1994) waarschuwen de samenstellers dat in hun boek de namen van Émile Durkheim (1858-1917), Max Weber (1864-1920) en Karl Marx (1818-1883) zó vaak voorkomen dat ze er geen verwijzingen bij geven. Geen beginnen aan. Die dominantie van een naslagwerk door negentiende- en vroegtwintigste-eeuwse sociologen is geen toeval. Ook in het handige Key quotations in sociology van de Britse Open University-hoogleraar K. Thompson (Routledge 1996) staan Durkheim, Weber en Marx veruit bovenaan. Evenzo in de twee belangrijkste Nederlandstalige sociologiehandboeken (Sociologie, door Ultee, Arts en Flap en Samenlevingen door Wilterdink en Van Heerikhuizen) nemen de 'Grote Drie' de belangrijkste plaatsen in de personenindex in (overigens samen met respectievelijk de veel minder bekende Gerhard Lenski (1927), Ultee zelf en Norbert Elias (1897-1990).

Vanwaar deze overheersing van een wetenschapsgebied door stemmen uit een 'gouden tijd' van alweer een eeuw geleden? Galilei, Einstein, Gödel, Pasteur, James, Von Ranke, Mendel: vereerde pioniers komen in alle takken van wetenschap voor, maar de sociologie lijkt wel erg lang stil te blijven staan bij de verworvenheden van toen. “Buiten de psychoanalyse is sociologie de enige sociale wetenschap die zo'n intense belangstelling heeft voor de geschriften van een klein aantal vermeende stichters”, schrijft de Australische socioloog R.W. Connell in zijn artikel Why is classical theory classical? in het mei-nummer van the American Journal of Sociology (102/6). Naast Durkheim, Marx en Weber horen, in mindere mate, August Comte (1798-1857), Herbert Spencer (1820-1895) en Georg Simmel (1858-1918) tot het ijzeren repertoire dat in dissertaties wordt becommentarieerd en geïnterpreteerd.

Op zoek naar de oorsprong van deze canonieke eerbied voor het gedachtengoed der stichters onderzocht Connell onder meer 30 universitaire sociologiecursussen in de VS en meer dan honderd Engelstalige sociologische leerboeken uit de afgelopen honderd jaar, van een Sociology and social progress: a handbook for students (1905) tot Sociology in a changing world (1991). Hij komt tot de conclusie dat de sociologische 'heiligenverering' iets van de laatste vijfig jaar is. Tot ver in de jaren '20 waren de tekstboeken 'encyclopedisch': Durkheim, Weber en Marx ontbraken niet, maar ze bevonden zich tussen honderden andere, al even nauwkeurig samengevatte en gerangschikte sociologen - die tegenwoordig vrijwel vergeten zijn. Het aantal inleidende teksten waarin Durkheim genoemd werd daalde in de jaren dertig zelfs tot een dieptepunt, maar het percentage steeg vervolgens spectaculair tot bijna negentig in de jaren zestig. Zijn boek Les règles de la méthode sociologique (1895) werd pas na vijftig jaar - in Engelse vertaling - een bestseller.

Het vreemde is dat het fenomeen van een beperkt aantal voortdurend becommentarieerde en onderwezen negentiende-eeuwse klassiekers pas ontstond nádat de universele pretenties en het vooruitgangsoptimisme van deze sociologen onhoudbaar waren gebleken, in de jaren 1910-1930 - vooral door de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog, aldus Connell. Bij de stichting van de American Sociological Society in 1907 had de eerste voorzitter, Lester F. Ward, nog vol trots gezegd dat de sociologische wetenschap verder is gegaan dan de natuurkunde, omdat het de fundamentele wet van sociale evolutie heeft ontdekt. Dat zelfvertrouwen verdween daarna snel.

In feite is de verering van de klassieke periode als gouden tijd een teken van zwakte, ontstaan doordat na de ineenstorting van het vooruitgangsoptimisme de sociologie nooit meer een samenhangende alternatieve basis heeft gevonden. Sociologische theorie verbrokkelde en sociologen sloegen in de jaren '20 sterk empirisch gerichte wegen in. De wetenschap “kon overleven aan de Amerikaanse universiteiten, niet meer als overkoepelende wetenschap, maar als een van de vele sociale faculteiten, die zich alleen door haar onderwerp onderscheidde van geschiedenis, politicologie, economie en pyschologie”, aldus Connell. Een precieze definitie van dat onderscheid was zelfs problematisch. In dit begripsmatige vacuüm ontstond als houvast in barre tijden de 'canon' van negentiende-eeuwse 'Vaders der Sociologie'. Connell spreekt zelfs van een “emotioneel” klimaat.

Natuurlijk hebben Durkheim, Weber en ook Marx belangrijk werk verricht, maar hun dominantie als vertegenwoordigers van een 'gouden tijd' is een creatie van later tijd en ook verre van vanzelfsprekend. In hun eigen tijd en ook daarna werden ze lang niet altijd als buitengewone geleerden beschouwd. De voor de canon-vorming belangrijke Amerikaanse socioloog Talcott Parsons (1902-1979) was een grote Weber-fan, maar naast Durkheim noemde hij ook de neo-klassieke econoom Alfred Marshall (1842-1924) en Vilfredo Pareto (1848-1923) als centrale 'vaderfiguren' van de sociologie.

De zegetocht van Durkheim en Weber als top-klassiekers begon in de jaren vijftig in de Verenigde Staten, volgens Connell onder invloed van de Koude Oorlog. Want Durkheim kon worden beschouwd als de theoreticus van de sociale solidariteit en Weber als de tegenhanger van Marx - die natuurlijk altijd de held was gebleven van socialisten en communisten, maar door veel sociologen nog amper bestudeerd werd. Een nog door Parsons aanbevolen denker als Pareto miste in die tijd de boot, omdat zijn teksten te ironisch en pessimistisch waren om bijvoorbeeld in eerstejaarscollege te worden gebruikt. Uit Amerika verspreidde de canon zich over de rest van de wereld.

Marx heeft zijn positie in de top-drie te danken aan de jaren zestig, toen de universitaire studie sociologie in VS en daarbuiten enorm groeide dankzij een toestroom van linkse studenten. Die studenten waren al met Marx bezig en de universitaire sociologen “pakten de studie van Marx op om zo met hun nieuwe publiek te kunnen praten over sociale strijd en transformatie”, aldus Connell. In de jaren zeventig was aldus de dominantie van het driemanschap Durkheim, Weber en Marx compleet.

So far so good, maar de canonisering van een beperkt aantal negentiende-eeuwers heeft slechts een schijneenheid gebracht in de sociologie, want “ondanks het grote prestige van de klassieke theorie wordt het door veel sociologisch onderzoek genegeerd in de praktijk”, aldus Connell. Het is voer voor handboeken en theoretici, maar daar blijft het bij. Een typisch geval van 'vals bewustzijn', zou Marx zeggen. De heiligverklaringen hebben de theoretische verbrokkeling van de sociologie een beetje kunnen verdoezelen, maar niet verhelpen. Aanpassing van de canon aan nieuwe wensen, zoals meer aandacht voor gender, zal niet veel helpen, schrijft Connell aan het slot van zijn artikel. In plaats van het verhaal van grote mannen te onderwijzen, kunnen we beter hun gevoel voor intellectueel avontuur, brede interessegebied èn wantrouwen tegen autoriteiten overbrengen, aldus de Australische sociologieprofessor.

Émile Durkheim (1858-1917)

'We denken dat het een vruchtbaar idee is dat het sociale leven niet verklaard wordt door de gedachten die de deelnemers er zelf over vormen, maar door diepgaande oorzaken waarvan zij zich niet bewust zijn. En we denken ook dat die oorzaken gezocht moeten worden in de manier waarop individuen onderling in groepen verbonden zijn.' (1897)

Max Weber (1864-1920)

'Sociaal handelen kan net als alle handelen op vier manieren gericht zijn.

1 Doelmatig rationeel ('Zweckrational'): bepaald door de verwachtingen van het gedrag van voorwerpen in de omgeving en van andere mensen (.2 Waarde-rationeel ('Wertrational'): bepaald door een bewust geloof in de op zichzelf staande waarde van een bepaald ethische, esthetische, religieuze of andere vorm van gedrag, onafhankelijk van de verwachting op succes.

3 Affectief, emotioneel: bepaald door de specifieke affecten en gevoelstoestanden van de persoon in kwestie.

4 Traditioneel: bepaald door ingesleten gewoonten.' (1922, posthuum gepubliceerd)

Karl Marx (1818-1883)

'De geschiedenis van alle samenlevingen tot nu toe is de geschiedenis van klassestrijd. (...) De [huidige] samenleving als geheel valt steeds meer uiteen in twee omvangrijke, elkaar vijandige kampen: de bourgeosie en het proletariaat.' (1848) 'Het is niet het bewustzijn van mensen dat hun bestaan bepaalt, integendeel, het is hun sociale bestaan dat hun bewustzijn bepaalt.' (1859)

Middeleeuwse wraak

De traditionele verklaring voor het prestige van de laat-negentiende-eeuwse sociologen is dat zij zich als eerste verdiepten in de problemen van de moderne industriële samenleving en op die manier de sociologie 'uitvonden' - als een soort intellectuele pendant van het opkomende socialisme. Maar volgens Connell valt die belangstelling voor de lotgevallen van de eigen samenleving nogal tegen.

Bij Marx valt die interesse natuurlijk niet te ontkennen, maar bij Durkheim en anderen ligt de nadruk juist op “het enorme spectrum van de menselijke geschiedenis”, niet op de armzalige toestand in de sloppenwijken. Onderwerpen als de heilige oorlog in Israel, magie in Maleisië, Indiaas boeddhisme, Romeins recht, middeleeuwse wraak, familieverhouding bij Australische Aboriginees en rechtssystemen bij primitieve samenleving waren in die tijd veel typerender voor sociologisch onderzoek, blijkens de uitvoerige inventarisaties in Durkheims invloedrijke jaarboek L'Année sociologique (1898-1913).

Volgens Connell is het centrale probleem in de sociologie van die tijd dan ook niet de interne situatie van de Europese samenlevingen, maar juist het verschil tussen de Westerse beschaving en de primitieve 'Ander' in de rest van de wereld. Leidend principe om dit verschil begrijpelijk te maken was de op menselijke samenlevingen toegepaste evolutietheorie. En het centrale bewijs voor deze 'universele ontwikkelingsgang' was het verschil tussen de koloniale machten en de primitieven die aan hen onderworpen werden.

De sociologen analyseerden met sweeping statements de primitieve samenlevingen die in analyses vaak met tientallen tegelijk als voorbeeld werden gebruikt. In feite vormde de snel in populariteit groeiende sociologie zo een maatschappelijke verwerking van de koloniale ervaringen. Connell: “Sociologie verving de imperialistische heerschappij over de gekoloniseerde volkeren door een abstract idee van verschil.

De vergelijkende methode en de grand ethnography verdoezelde de feitelijke koloniale machtsuitoefening.'' Van de gewelddadige bemoeienis van de westelijke machten met China is bijvoorbeeld in Max Webers vergelijkende sociologie van China en het Westen niets terug te vinden.