Ruggengraat

Het lijkt mij volstrekt onjuist om de politieke noodzaak Enneüs Heerma te vervangen als belangrijkste spreekbuis van het CDA af te doen met: 'Hij had een presentatieprobleem.' Dit citaat uit het gesprek tussen Frénk van der Linden en Hannie van Leeuwen (Z 5 juli) conflicteert mijns inziens met haar uitspraak: 'Ik heb altijd een grote liefdesverhouding met mijn ruggengraat gehad'.

Immers als je die liefdesverhouding eenmaal hebt, mag je die ook van een collega-politicus eisen. Want daar ging het om.

De fractieleider van het CDA in de Tweede Kamer wierp voor de tweede maal de vraag op of zijn fractie bereid zou zijn om, indien de mogelijkheid zich voordeed, een motie te steunen waar deze fractie principieel tegen was, teneinde de regering ten val te brengen. Met andere woorden: hij verklaarde zich publiekelijk bereid principes in te ruilen voor macht. Van een oppositieleider moet worden verwacht dat hij bij voortduring fundamentele kritiek op het regeringsbeleid uitoefent, niet dat hij met zogenaamd slimme politieke trucjes de door zijn partij verloren politieke macht opnieuw wil grijpen.

Dit was kiezersbedrog, de oneerlijkheid in de politiek ten top en inderdaad, een volkomen gebrek aan ruggengraat. Als kiezer weet je niet wat je aan zo iemand hebt. Terecht greep Schmelzer in, want hij was bang dat zijn partij op deze manier zou afglijden en zich in de ogen van de kiezer wederom ongeloofwaardig zou maken. Een partij die ergens voor staat, kan zich zoiets niet permitteren. In zo'n geval moet je, zeker als oud-politicus, het gezag dat je nog hebt ten volle aanwenden om krachtig te kunnen zeggen: nood breekt wet, verder afglijden moet nù worden gestuit.

Hulde dus ook aan Van Agt. Dat de kiezer de hele gang van zaken waardeert, is uit de opiniepeilingen wel gebleken. De kiezer is nu eenmaal niet achterlijk. Natuurlijk let hij op de presentatie, maar daarom niet minder op de inhoud van het verhaal. Een analogie dringt zich op met het vertrek van Heerma's voorganger Brinkman. Ook toen spraken CDA-politici van een presentatieprobleem op een moment dat iedere Nederlandse burger met zijn eigen oren kon horen hoe een politiek leider zichzelf afbrandde door hele bevolkingsgroepen in de kou te laten staan.

Een partij die zich christelijk noemt, dient optimisme uit te stralen. Waarom kon een socialistisch geörienteerd econoom als Arnold Heertje dat tijdens de laatste Tweede-Kamerverkiezingen wel en de CDA-lijsttrekker niet? Die lijsttrekker liet zich vangen in op dat moment gangbare opvattingen in plaats van deze te relativeren en er als leider bovenuit te steken. Met andere woorden, het leiderschap dat van hem werd verwacht wist hij op dat moment niet in te vullen en dan word je door de kiezer afgestraft. Zo hoort dat ook in een democratie.

Resteert de vraag: hoe ga je binnen een politieke partij om met het noodgedwongen vertrek van falende leiders? Zo menselijk mogelijk. Zowel ten aanzien van Brinkman als van Heerma is dat gebeurd. Met Aantjes was dat niet het geval. Daarin heeft Van Leeuwen volledig gelijk.