Islam in Senegal: de mystieke kracht van het mouridisme; De wonderbaarlijke terugkeer van Ahmadou Bamba

Eens per jaar leiden alle wegen in Senegal naar Touba, het Mekka van de Afrikaanse islam. Dat is de geboorteplaats van sjeik Ahmadou Bamba, wonderdoener en stichter van de invloedrijke sekte van het mouridisme. De mouriden verwachten Senegal binnen niet al te lange tijd in een islamitische heilstaat te veranderen. De zedenbrigade zal zijn handen vol hebben.

Tijdens de grote jaarlijkse bedevaart ter ere van sjeik Ahmadou Bamba leiden alle Senegalese wegen naar de stad Touba. Dit jaar begaven zo'n twee miljoen mensen, bijna een kwart van de bevolking, zich naar het Mekka van Senegal om de zogeheten Magal bij te wonen. Moslims, handelaren in zwart geld, zakkenrollers en reli-toeristen verzamelen zich rondom de Grote Moskee waar Ahmadou Bamba begraven ligt. Na een afmattende tocht door de uitgedroogde savanne staan de bedevaartgangers urenlang in de felle zon te wachten om een glimp van het mausoleum op te vangen.

De watervoorraden van de stad zijn al spoedig uitgeput. Een man die bij een EHBO-post een antibiotica-injectie krijgt, legt uit dat de volgelingen van sjeik Ahmadou Bamba zich door dergelijke trivialiteiten niet laten ontmoedigen; de ontberingen van een verblijf in Touba wegen niet op tegen de vruchten die het afwerpt. De bedelaars die voor de ingangen van de moskee hebben postgevat, vormen het levende bewijs van die gedachte. De meesten hebben hun inkomsten voor het gemak in tweeën gedeeld: aan hun linkerhand ligt een flinke berg met kopergeld, rechts een stapel zilvergeld die op zijn minst even hoog is.

Sjeik Ahmadou Bamba werd rond 1850 geboren als telg van een familie die in religieus opzicht veel aanzien genoot. Zijn vader en grootvader stonden allebei aan het hoofd van een koranschool. Na een grondige studie van de verschillende richtingen binnen de islam legt Ahmadou Bamba zich toe op het soefisme, een stroming die naar mystieke eenwording met de allerhoogste streeft. Volgens de overlevering krijgt hij op zeker moment de goddelijke opdracht om op zoek te gaan naar een heilige plek die het brandpunt van een nieuwe spirituele beweging moet worden. Het duurt enige jaren voor die plek gevonden is, maar als de stichting van Touba eenmaal een feit is, blijkt er een magische aantrekkingskracht vanuit te gaan. De beweging van Ahmadou Bamba, doorgaans aangeduid als 'mouridisme', breidt zich in rap tempo uit.

De Franse kolonisten zien de ontwikkelingen in Touba argwanend aan. De religieuze bliksemcarrière van Ahmadou Bamba blijkt niet zonder politieke gevolgen te zijn. Sommige lokale chefs sluiten zich aan bij de beweging van de marabout (religieuze leider) uit Touba, anderen zien hun invloed door de opkomst van het mouridisme tanen en doen hun beklag bij de koloniale autoriteiten. De Fransen vrezen voor een opstand en geven Ahmadou Bamba in 1895 te kennen dat de broederschap der Mouriden op stel en sprong ontbonden dient te worden. Bamba - die geen ander gezag erkent dan dat van God - weigert ten stelligste, waarna zijn arrestatie volgt. Een maand later wordt hij in ballingschap naar Gabon gestuurd.

De Senegalese samenleving verkeert in crisis. De werkloosheid is gigantisch, de kosten van het levensonderhoud zijn sinds de devaluatie van de munt in 1994 de pan uit gerezen, sociale verbanden brokkelen af waardoor traditionele normen en waarden onder zware druk staan. Waar president Abdou Diouf het laat afweten, biedt sjeik Ahmadou Bamba uitkomst. Veel Mouriden geloven dat Senegal op niet al te lange termijn in een islamitische heilsstaat zal veranderen. In het nieuwe millennium zullen alle ziekenhuizen in moskeeën veranderen. Sommige tongen beweren zelfs dat er in mouridistische kringen aan een middel tegen aids wordt gewerkt.

Nauwelijks een eeuw nadat Ahmadou Bamba in ballingschap ging is het mouridisme een gevestigde kracht in de Senegalese islam. Bamba is uitgegroeid tot een nationale held van mythische proporties. De beeltenis van de mysterieuze man met de eeuwige witte lap om zijn hoofd is alomtegenwoordig: hij hangt in huiskamers, siert menig eettentje en is op talloze gammele busjes geschilderd. Serigne Touba, ammoel moroom, zeggen de Mouriden: de marabout uit Touba kent zijn gelijke niet.

De vele wonderlijke Bamba-verhalen die in Senegal de ronde doen, onderstrepen die gedachte. Het bekendste verhaal speelt zich af op de boot waarmee Bamba naar Gabon werd verbannen. Toen hij aan boord van het schip wilde bidden, probeerden de blanke kolonisten dat te verhinderen. De marabout stapte daarop zonder aarzelen van de boot af en knielde neer op het water van de oceaan.

De jaarlijkse Magal in Touba herdenkt Bamba's gedwongen vertrek naar Gabon. Dat lijkt niet direct een aanleiding voor religieus feestgedruis, maar de Mouriden zien dat anders. De ballingschap van Ahmadou Bamba is in hun ogen onderdeel van een goddelijk plan dat het mouridisme heeft opgestuwd in de vaart der volkeren. Toen Serigne Touba in 1902 terugkeerde naar Senegal werd hij binnengehaald als een heilige, een martelaar, een zwarte verlosser: de mouridistische beweging bleek in de zeven jaar van haar afwezigheid alleen maar sterker te zijn geworden.

De eerste keer dat ik Sokhna Diakhate Mbacké ontmoet, ligt ze op een stretcher in de schaduw van haar zanderige woonerf. Op de mat naast haar luiert een groepje vrouwen. Aangezien de traditie voorschrijft dat ik me niet boven mijn gastvrouw mag verheffen, zijg ik onwillig neer in het gele stof van Touba.

Sokhna Diakhate Mbacké is een kleindochter van Ahmadou Bamba. Tijdens de week van de Magal verleent ze mij gastvrijheid in haar huis. Hoewel de nakomelingen van Ahmadou Bamba als halve godheden vereerd worden, maakt het huishouden van kleindochter Sokhna Diakhate op het eerste gezicht een buitengewoon aardse indruk. Het erf wemelt van de vliegen en de kinderen die er rondscharrelen zien er net zo morsig uit als het kroost van gewone Senegalese stervelingen. 's Avonds braakt de kleurentelevisie een Franse quiz uit waar niemand een woord van begrijpt. Sokhna Diakhate zit op haar stretcher en kijkt met welwillende distantie toe.

De broederschap der Mouriden kent een strikte hiërarchie. Aan het hoofd van de geloofsgemeenschap staat de kalief. Deze invloedrijke functie wordt sinds de dood van Ahmadou Bamba in 1927 steevast door een van zijn zonen vervuld. Onder de kalief staan de marabouts, religieuze leiders die afhankelijk van hun afkomst en achtergrond meer of minder hoog in aanzien staan. Aan de basis van het mouridisme staan de talibés, leerlingen of volgelingen die een merkwaardige, welhaast symbiotische relatie onderhouden met hun marabout. Volgens de soefistische leer van Ahmadou Bamba dient een talibé zich tijdens zijn zoektocht naar God te onderwerpen aan de inzichten van een spirituele gids. Deze gids of marabout, in de praktijk van het mouridisme niet zelden een van de talloze kleinzonen van Serigne Touba, is op zijn beurt verplicht de talibé met raad en daad terzijde te staan, hem of haar te onderwijzen in het moslim-geloof, en ervoor te zorgen dat hij of zij verzekerd is van een plekje in het paradijs.

Het grenzeloze vertrouwen dat vooraanstaande marabouts ten deel valt, heeft verstrekkende gevolgen voor de Senegalese samenleving. Hoewel staat en religie volgens de grondwet van elkaar gescheiden zijn, is het geen geheim dat de regeerders in Dakar tot op zekere hoogte afhankelijk zijn van de machthebbers in Touba. Senegalese politici zijn niet of nauwelijks in staat het kiezersvolk te mobiliseren, de nazaten van Ahmadou Bamba hebben op dat punt geen enkel probleem. President Abdou Diouf kon de verkiezingen van 1988 alleen winnen dankzij de steun van sjeik Abdou Lahad Mbacké, die op dat moment kalief van Touba was. Abdou Lahad Mbacké, vader van mijn gastvrouw Sokhna Diakhate, liet de verbouwereerde talibés weten dat een ieder die niet op Diouf zou stemmen, beschouwd diende te worden als een verrader van Ahmadou Bamba. De huidige kalief, sjeik Saliou Mbacké, stelt zich een stuk terughoudender op in politieke kwesties. Aan 'stemadviezen' doet hij niet. Indachtig de geest van Serigne Touba erkent hij geen ander gezag dan dat van God.

In de periode die aan de Magal voorafgaat, stroomt Touba vol met pelgrims van alle rangen en standen. Auto's, busjes en paardentaxi's versperren elkaar de doorgang op wegen en kruispunten. Een man in boubou is met een versterkte megafoon op een ezelskarretje geklommen. Vals zingend rijdt hij rond door de drukker wordende straten.

Ook op het woonerf van kleindochter Sokhna Diakhate moeten hoe langer hoe meer gasten worden ondergebracht. Tientallen talibés hebben zich op de binnenplaats geïnstalleerd, waar ze overnachten op kleurige plastic matten. Sokhna Diakhate is een van de vier vrouwen van Serigne sjeik Fall, een marabout die afstamt van de legendarische Ibra Fall. Ibra Fall, van oorsprong een Senegalese prins, ontpopte zich tot de meest prominente leerling van Ahmadou Bamba en creëerde na verloop van tijd een eigen stroming binnen het mouridisme; voldoende reden om ook zijn nakomelingen met de nodige egards te behandelen. De ontvangstruimte van Serigne sjeik Fall zit de hele dag vol met geduldig wachtende talibés. Wanneer de marabout ten tonele verschijnt, kruipen ze naar hem toe en brengen zijn hand eerbiedig naar hun voorhoofd.

Na een paar dagen in het Mekka van Senegal te hebben doorgebracht, word ik steeds vaker bevangen door een gevoel van benauwenis, en dat komt niet alleen door de moordende hitte. Touba is een staatje in de staat, dat bij gebrek aan een gemeenteraad door islamitische wetten wordt geregeerd. Het bezit van alcohol en tabak is ten strengste verboden, bars en discotheken zijn in geen velden of wegen te bekennen, en behalve religieus gezang is er nergens muziek te horen. Daar staat tegenover dat de inwoners van Touba een relatieve welvaart genieten. De heilige stad van de Mouriden telt niet alleen de meeste vliegen en het grootste aantal godsdienstwaanzinnigen van Senegal, er rijden ook opvallend veel Mercedessen rond.

De volgelingen van Serigne Touba zijn van meet af aan een economische factor van betekenis geweest. Toen de Franse kolonisten in de gaten kregen dat de verbouw van aardnoten (tot voor kort Senegals belangrijkste exportproduct) grotendeels in handen van talibés was, lieten ze hun vijandige opstelling ten aanzien van het mouridisme varen en stuurden in plaats daarvan op een vorm van samenwerking aan. Ahmadou Bamba verkondigde de gedachte dat fysieke arbeid een weg tot God is: werken is een vorm van bidden en heeft als zodanig een gunstig effect op het zieleheil. Dit religieus geïnspireerde arbeidsethos leeft tot op de dag van vandaag voort. Met name de zogeheten Baye Fall, de volgelingen van de eerder genoemde Ibra Fall, staan erom bekend dat ze zich afbeulen op de pindavelden van de marabout, die zich in ruil daarvoor dient te bekommeren om hun spirituele welzijn.

Hoewel het bovenstaande doet vermoeden dat het mouridisme in de Middeleeuwen is blijven steken, staan de volgelingen van Serigne Touba wel degelijk in contact met de moderne wereld. Als gevolg van droogte en concurrentie op de wereldmarkt is het belang van de pindacultuur vanaf de jaren zeventig afgenomen. Sindsdien manifesteren de Mouriden zich niet zonder succes in sectoren als handel en transport, waardoor hun sociale mobiliteit aanzienlijk is toegenomen.

Tidjane Diawara is een jonge zakenman uit Dakar die zich na zijn studie economie op de internationale handel heeft gestort. Hij exporteert mango's naar Nederland en Marokko en voert daarnaast uien, kippen en computers in. Diawara ziet het mouridisme in de eerste plaats als een ontwikkelingsmodel: “Het heeft geen zin om Afrika vooruit te helpen op basis van Westerse maatstaven. Je moet de sociaal-economische context van een land als uitgangspunt nemen. Het model dat binnen het mouridisme ontwikkeld is, blijkt in de praktijk heel goed te werken. Welvarende talibés brengen geld in, dat binnen het systeem opnieuw in omloop wordt gebracht.”

Het mouridisme is in zekere zin een keten van werk, een hiërarchisch stelsel van diensten en wederdiensten waarbinnen het materiële en het spirituele een onlosmakelijke alliantie zijn aangegaan. Tidjane Diawara vertelt dat hij zijn marabout bij ieder bezoek aan Touba een bedrag van 175 tot 350 gulden geeft: “Dat geld is niet voor hem persoonlijk bedoeld. Het wordt geïnvesteerd in koranscholen en landbouwgrond of in talibés die financiële ondersteuning nodig hebben. De marabout beschikt over meer wijsheid dan ik. Als ik hem in mijn plaats laat beslissen, kan daar niets slechts uit voortkomen, omdat hij altijd naar het goede streeft. Een marabout hecht niet aan geld. Zijn hele leven staat in dienst van God.”

De theorie is mooi, maar in de praktijk lijdt het geen twijfel dat de religieuze autoriteiten van Touba een stuk verder van God verwijderd zijn dan menig talibé aanneemt. De beslissingen die ze in hun oneindige wijsheid nemen, geven nogal eens blijk van een beperkt inzicht. Het prestigieuze landbouwproject in het gehucht Khelkom is daar een mooi voorbeeld van. In 1991 trekken duizenden Mouriden na een oproep uit Touba de brousse in: er moet een gebied van 45.000 hectare ontgonnen worden, bestemd voor de verbouw van aardnoten. De opbrengsten vloeien naar de kalief, die de leiding heeft over het project. Interessant detail: de nieuw verworven landbouwgrond maakte voorheen deel uit van een beschermd bosgebied.

Tidjane Diawara ziet Khelkom als een onderdeel van het mouridistische ontwikkelingsmodel: “Een economie die niet op landbouw is gebaseerd, zal nooit erg sterk zijn. Een land kan zich pas ontwikkelen als het zijn eigen voedsel produceert.” Daar zit misschien iets in, maar wanneer die voedselproductie ontbossing en bodemuitputting in de hand werkt, zullen de effecten op de lange termijn eerder negatief dan positief zijn. Het mouridisme een ontwikkelingsmodel? Ongetwijfeld. Het is alleen de vraag aan wie die ontwikkeling ten goede komt en hoe duurzaam ze zal blijken te zijn.

Op de dag van de Magal komt de 'mystieke kracht van het mouridisme' in alle hevigheid tot uitbarsting. In de namiddag trekt een groep zingende Baye Fall in optocht door de stad. Met hun kleurige kledij en lang rastahaar vormen ze een in het oog springend onderdeel van de mouridistische beweging. Vooraan de stoet lopen een paar jonge mannen met zware, massief houten knuppels. Ze gooien de knuppels in de lucht, vangen ze weer op en slaan zich ermee op rug, hoofd of borst. Eén jongen is volledig in trance. Hij pakt een grote baksteen die hij met twee handen boven zijn hoofd tilt en vervolgens met kracht op zijn hoofd laat neerdalen. De baksteen breekt in stukken, de jongen blijft overeind.

Als het aan sjeik Modou Kara Mbacké ligt, zal het mouridisme niet alleen Senegal maar de hele wereld veroveren. Modou Kara, een marabout met een groeiend aantal volgelingen, richtte in 1995 de Mouvement Mondial pour l'Unicité de Dieu (MMUD) op. Geïnspireerd door de profeet Mohammed die in Badr met 313 moslims een gevecht tegen duizenden 'ongelovigen' won, is Modou Kara bezig een 'elitecorps' van 313 personen samen te stellen dat het gedachtengoed van Serigne Touba internationale bekendheid moet geven. Moustapha Barry, een jeugdige advocaat uit Dakar, maakt deel uit van de vaste kern van de MMUD. “Het mouridisme is als een strovuur”, zegt hij, “het breidt zich razendsnel uit. Het aantal Mouriden neemt toe, terwijl de aanhang van andere broederschappen afneemt. Vooral jongeren sluiten zich aan. In iedere familie zie je zonen en dochters die zich tot het mouridisme bekeren. Het is een teken dat de andere broederschappen zullen verdwijnen.”

Barry behoort tot het groeiende leger van naïeve fanatiekelingen dat uitziet naar de dag waarop alle Senegalezen zich tot sjeik Ahmadou Bamba zullen bekennen: “De profeet Mohammed heeft in het verleden de ideale weg laten zien om tot God te gaan, maar sinds zijn dood is er veel water door de bron gevloeid. Serigne Touba heeft de weg die door de profeet is aangewezen, opnieuw blootgelegd. Als iedereen het mouridisme ondersteunt, zal Senegal er een heel stuk beter voor staan dan nu. Ons fundament is solidariteit en werk. Bovendien erkent het mouridisme slechts één morele autoriteit, waardoor conflicten en afsplitsingen vermeden worden.”

Senegal is een van de weinige West-Afrikaanse landen dat op een min of meer democratische traditie kan bogen. Het islamitisch socialisme van de MMUD wekt daarentegen de indruk een heel andere richting in te willen slaan. Moustapha Barry haast zich te verzekeren dat hij een voorstander is van de scheiding van kerk en staat, maar na enig doorvragen blijkt de meester in de rechten opmerkelijke ideeën te koesteren over de taken van de overheid. “Er lopen hier moslim-meisjes rond in jurken die nauwelijks hun dijen bedekken. Als ze ademhalen, zie je hun slip. Het hoeft hier geen Afghanistan te worden, maar de mensen moeten zich realiseren dat er zoiets als een minimum aan kuisheid bestaat. De staat zou het probleem op kunnen lossen door een speciale zedenbrigade in te stellen. Meisjes die in een minirok over straat slenteren, kunnen dan worden opgepakt. Het gaat er niet om ze te beboeten of voor de rechtbank te slepen: wie een goed pak rammel krijgt, laat het wel uit haar hoofd om de volgende dag hetzelfde aan te trekken.”

Na afloop van de Magal kniel ik een laatste maal neer voor kleindochter Sokhna Diakhate en keer terug naar Dakar met een hoofd vol vragen. Wat gebeurt er met je wanneer je grootvader als een Messias wordt vereerd? Hoe is het om als Senegalees meisje op te groeien in een heilige stad? En wat moet ik me in hemelsnaam voorstellen bij een huwelijk met een marabout?

In de hoofdstad treedt Fallou Dieng op met zijn band. Het mouridisme heeft z'n sporen ook nagelaten in de Senegalese popmuziek: iedere zichzelf respecterende artiest heeft wel een nummer aan Serigne Touba gewijd. Fallou Dieng, een van de rijzende sterren aan het popfirmament, betreedt het podium in de typische uitmonstering van de Mouriden. Hij draagt een broek van witte damast waar een dito tuniek met lange mouwen bijhoort. Om zijn hals hangt een vierkant doosje dat met rood Marokkaans leer is bekleed. “Ça va chauffer ce soir, insjallah!” roept de zanger. Ik kan de strekking van het eerste nummer niet volgen, maar er komt veel 'Bamba' in voor. Het publiek, dat voornamelijk uit westers geklede jongeren bestaat, juicht. Sommigen rennen tot voor het podium waar ze uitbundig beginnen te dansen. Jongens schokken energiek met hun onderlichaam, Senegalese meiden, gekleed in spannende truitjes, wiegen hun ontblote buiken op de maat van de muziek. De zedenbrigade van Moustapha Barry zou haar handen hier vol aan hebben.