IDA GERHARDT 1905-1997; Een dapper dichteres, steil en streng

In 'Grensgebied', het slotgedicht van haar bundel De zomen van het licht (1983), vertelt Ida Gerhardt hoe zij soms 's nachts in het donker wakker ligt. In haar kamer ziet zij dan het ronddraaiende licht van een verre vuurtoren: wiggen licht, onderbroken door wiggen duisternis. Het is voor de slapeloze dichteres moeilijk om niet mee te gaan tellen: de duur van het interval, het aantal afwisselingen van licht en donker.

En het is moeilijk voor haar om er niet de symboliek van in te zien: de dagen tellen, en wachten tot het ophoudt, als de nacht gaat raken aan het licht. Tegelijk is er ook nog, met lichte zelfspot, het besef van de zinloosheid van dit domme getel, dit getel 'mijns ondanks'. Het heeft geen nut, zeker niet voor iemand die zo oud is geworden als zij en al heeft ervaren dat 'er geen tijd bestáát.' Hier, in dit grensgebied van donker en licht, nacht en dag, leven en dood beseft zij 'het raadsel van de hoge ouderdom: het prijsgegeven zijn en alreeds vrij.'

Het gedicht, geschreven in 1982, leek toen al het sluitstuk van een omvangrijk oeuvre. Het is een vreemde gedachte dat Ida Gerhardt daarna nog vijftien jaar zou leven in dit grensgebied, met dit raadsel van de hoge ouderdom, en zelfs nog een mooie en lijvige bundel zou schrijven: De adelaarsvarens, verschenen in 1988. Daarna moeten haar krachten zijn afgenomen, en schijnt zij ook geestelijk in een grensgebied te zijn beland. Gisteren overleed zij in haar woonplaats Warnsveld, op 92-jarige leeftijd.

Het raadsel van de hoge ouderdom: even vreemd is het te bedenken dat deze dichteres als middelbare scholier nog gewoon les heeft gehad van de dichter-classicus J.H. Leopold. Zijn oordeel over de zestienjarige, teruggetrokken, maar ijverige leerlinge is overgeleverd. 'Ja meneer Gerhardt', zo voegde hij haar ongeruste vader toe, 'Ida is hoogbegaafd. Daar zal, vrees ik, niet veel aan te doen zijn.'

De bewondering van Gerhardt voor Leopold was groot. Haar loopbaan leek in veel opzichten op de zijne. Ook zij ging klassieke talen studeren, ook zij schreef een proefschrift en ook zij belandde in het onderwijs. En net als haar leermeester had zij het daar moeilijk. Ook haar roeping lag ergens anders: in het vertalen (van Lucretius en Vergilius, later van de psalmen) en in het schrijven van poëzie.

Haar eerste gedichten ontstonden in 1925. Haar eerste bundel, Kosmos, verscheen pas in 1940, en nog wel op 9 mei (Gerard Reve: 'Dat noem ik: het moment slecht kiezen'). Het was het begin van een oeuvre dat vanaf het eerste gedicht bewust aansluiting zocht bij een ook toen al oude traditie: die van het symbolisme van Leopold en van de generatie van 1910, en meer in het algemeen die van de klassieke, bezonken poëzie die de eenheid in al het bestaande, de samenhang tussen het tijdelijke en het eeuwige, het aardse en het goddelijke wil vastleggen: Het spel van lijn en kleur en van schakering dat leeft in de natuur, het donker en het licht - wetten van wisseling en wederkering -, ik vind het terug in het voltooid gedicht.

Het zijn regels uit haar debuut, maar vergelijkbare gedachten en formuleringen zijn tot in haar laatste bundels terug te vinden.

Het is een hooggestemde opvatting van poëzie, met het dichterschap als roeping en als taak, met de dichter in de rol van uitverkorene, ziener en hoeder, en er hoort een hoge toon en een verheven taalgebruik bij. Ook in de jaren veertig deed Gerhardts poëzie al enigszins gedateerd aan. Van Duinkerken kenschetste haar in 1941 al als 'uitdagend reactionair', en dat werd er in het klimaat van de jaren vijftig niet beter op. Tegen de achtergrond van de modernistische poëzie van de Vijftigers verouderde het werk van Gerhardt als het ware in versneld tempo. Kees Fens moest in 1971, na elf bundels inmiddels, constateren dat Gerhardt stond 'aan het eind van een traditie die uit het zicht begint te raken', en dat dit soort poëzie 'achterhaald' was, hoeveel objectieve waardering hij verder dan ook voor haar vakmanschap kon opbrengen.

Fens was niet de enige die er zo over dacht, en voor het grote publiek bestond Gerhardt dan ook nauwelijks. Toch ontving zij rond 1970 wel enige kleinere poëzieprijzen, en voor haar vertalingen de Martinus Nijhoff-prijs.

Uitgever Johan Polak ontfermde zich over haar. Om een of andere reden begon tegen het eind van de jaren zeventig de aandacht en de waardering voor Gerhardts poëzie plotseling toe te nemen. Grote veranderingen vielen er toen niet aan te wijzen in haar werk, al werd het wel steeds beter: gevarieerder, soepeler en minder gewrocht. Maar verder leek deze wonderlijke ommekeer toch vooral te moeten worden toegeschreven aan zoiets vaags als een gewijzigd klimaat, waarin men weer meer oog kreeg voor de kwaliteiten van de traditionele poëzie.

In 1979 kreeg Gerhardt de Meesterschapsprijs. Haar bundel Het Sterreschip uit dat jaar werd goed besproken en in korte tijd vier keer herdrukt. Komrij nam haar met tien gedichten op in zijn bloemlezing. Het was de tijd van de debuten van de 'echte' Vijftigers Jan Eijkelboom en Ed Leeflang, en van de herwaardering van bijvoorbeeld Vasalis en Christine D'haen. In 1980 werd Gerhardt de P.C. Hooftprijs toegekend. Haar bij die gelegenheid verschenen Verzamelde Gedichten werden een verkoopsucces en dat gold ook voor de daarna verschenen bundels.

In het begin van de jaren tachtig was Gerhardt dus alsnog een gewaardeerd en veelgelezen dichteres geworden. Hierover sprak ze op de haar kenmerkende hoge en gedragen toon haar verbazing uit: 'Dat mij dit nog gewerd: van mijn werk de late erkenning' schreef ze in een gedicht met de al even kenmerkende titel 'Toen Holland antwoord gaf'.

Uit zulke formuleringen spreekt een lichte verongelijktheid die op wel meer plaatsen in haar leven en werk terug te vinden is. Het is een van de redenen waarom de waardering voor haar poëzie zelden ongemengd is.

Dat Gerhardt zichzelf beschouwde als een dichteres met een 'opdracht' van hogerhand was haar goed recht, maar ze had het er wel erg vaak over. En dat gold ook voor haar gevoel van miskenning. In 1974 eiste ze van Johan Polak dat hij Kees Fens na een kritische bespreking letterlijk 'op zijn smoel moest slaan'. Toen hij daar niets voor voelde, ontstond er ook nog eens een tijdelijke verwijdering tussen uitgever en dichteres.

Tien jaar later, na een andere kritische opmerking van Fens, was ze het liefst onmiddellijk naar diens huis afgereisd om hem uit te dagen voor een duel, zo vertelde ze Jeroen Brouwers eens. 'En dan nu, waarde heer, uw jasje uit. Ik kom u op uw vale smoel slaan.'

Het zijn mooie anekdoten. Haar verontwaardiging, hoe misplaatst soms ook, heeft tegelijk iets dappers, de dapperheid van de strenge, weerbarstige, steile calvinist, die het trouwens ook zichzelf niet gemakkelijk wilde maken. 'Ida is niet zo lief', zei ze toen haar uitgevers Johan Polak en Ben Hosman haar vergeefs hadden verzocht twee gedichten tegen abortus en partnerruil weg te laten uit De zomen van het licht (1983).

Haar oeuvre van in totaal zo'n 700 gedichten valt grof gezegd uiteen in twee soorten: de moralistische, waarin de verbeelding vaak ten koste gaat van de getuigenis, en de meer psychologische: waarin de demonische kanten van het bestaan voorzichtig worden afgetast, of waarin de nuchtere waarneming van alledaagse gebeurtenissen als het ware vanzelf, zonder nadere uitleg, leidt tot diepere betekenissen. Het eerder genoemde Grensgebied is er een goed voorbeeld van.

Het is moeilijk te zeggen hoe het dit oude, eenzame, nog met een levende lijn met de vorige eeuw verbonden oeuvre in de volgende eeuw zal vergaan, maar ik denk dat de tweede soort het houdbaarst zal blijken. Vreemd genoeg is geen van de gedichten van deze klassieke dichteres klassiek geworden, en voorzover ik weet heeft zij ook geen gevleugelde regels nagelaten. Misschien gaat dat nog gebeuren, maar voorlopig ziet het er niet best voor haar uit. Gisteren, enkele uren na haar dood, meldde de radionieuwsdienst dat Ida Gerhardt vooral bekend was geworden met de dichtregels: 'Rust nu maar uit, je hebt je strijd gestreden'. Maar die zijn van Nel Benschop.

Lof van het onkruid

Godlof dat onkruid niet vergaat.

Het nestelt zich in spleet en steen

breekt door beton en asfalt heen

bevolkt de voegen van de straat.

Achter de stoomwals valt weer zaad:

de bereklauw grijpt om zich heen.

En waar een bom zijn trechter slaat

is straks de distel algemeen.

Als hebzucht alles heeft geslecht

straalt het klein hoefblad op de vaalt

en wordt door brandnetels vertaald:

'gij die millioenen hebt ontrecht:

zij k=men - uw berekening faalt.'

Het onkruid wint het laatst gevecht.

IDA GERHARDT

Uit: Vijf vuurstenen (1974)