Heilsoldaten

Na een dag wandelen kom ik tegen half zeven aan in Sipovo, koop in een winkel twee bananen en twee appels, en vraag de winkelier naar onderdak. “Zij weten misschien iets”, zegt hij, en hij wijst naar vier mannen die aan de overkant voor een huis kaart zitten te spelen. Ik loop naar ze toe en herhaal mijn vraag.

Een grijze man met een snor houdt de kaart vast die hij van plan was op tafel te werpen, neemt mij met gefronste blik op, en vraagt: “Waar kom je vandaan, heb je een paspoort, laat je paspoort zien.”

Ik dacht dat ik er, met mijn korte broek, bergschoenen en rugzak toch uitzag als een onschuldige toerist. Maar onschuld bestaat in Bosnië niet meer, en toeristen komen hier helemaal niet. En in het Servische deel van Bosnië, waar ik nu ben en waar men zich de zondebok voelt, heeft iedere buitenlander de schijn de vijand te zijn, in het bijzonder, blijkbaar, die buitenlander die de taal spreekt.

“Misschien is het een spion”, zegt de grijze man met snor tegen zijn buurman.

Alsof dat in mijn paspoort zou staan.

Ik heb geen zin om aan een willekeurige kaartspeler mijn paspoort te laten zien en wil me al weer omdraaien, maar op hetzelfde moment staat een andere, jongere kaartspeler op en zegt dat hij wel een plek weet waar ik kan overnachten. “Kom maar mee.”

“Vijftig Mark!” schreeuwt de snor hem nog na - wat hier belachelijk veel is.

Er volgt een tocht met de auto langs familie en vrienden van mijn gids - een soort rondrit door Sipovo, een stad gelijkend op de Bijlmer maar kleiner van schaal, rommeliger, viezer, minder groen ook, meer beton. Overal, voor en naast de flats, grote stapels hout voor de winter. En ook hier sporen van granaatinslagen.

Mijn gids is een grappige figuur die die avond naar Belgrado moet, klaagt over geld dat niemand heeft, en dat ze hier in het Servische deel ook helemaal geen humanitaire hulp krijgen. Hij heeft de neiging te commanderen, niet mij maar toevallige voorbijgangers, kennissen, die hij al toeterend op zichzelf attendeert, vervolgens naderbij wenkt, en er dan op uit stuurt om te gaan kijken of die en die thuis is, en of ik daar kan slapen. Maar zelfs kinderen doen niet wat hij zegt, en dus moet hij zelf regelmatig de auto uit - iets dat hij geloof ik liever niet zou doen. We hebben weinig succes maar mijn gids zweert dat hij niet naar Belgrado afreist voor hij een plek voor mij gevonden heeft, wat ik toch aardig vind.

Uiteindelijk vinden we een pension aan de rand van de stad, waar volgens de eigenaar ook “de een of andere Amerikaanse ambassadeur” thans verblijft. De een of andere Amerikaanse ambassadeur, in dit armoedige, betonnen gat? En in dit pension - dat aandoet als een bergbeklimmershut? Het plaatselijke hotel is weliswaar kapotgeschoten, maar toch. Ik ben benieuwd. 's Avonds hoor ik inderdaad gestommel op de gang en de volgende ochtend aan het ontbijt zie ik wie mijn buren zijn: twee vertegenwoordigers van het Zweedse Leger des Heils, heilsoldaten, beide in gezelschap van hun vrouw.

Ze hebben, vertellen ze mij, van hun regering 250 miljoen Mark losgekregen voor een aantal projecten hier: het herstellen van 140 huizen, het uitdelen van 120 zwangere koeien (wie er een krijgt moet het kalf aan zijn buurman geven), met daaraan verbonden het oprichten van een kleine zuivelfabriek en het financieren van allerlei kleine, nieuwe bedrijven. Met opzet, zeggen ze, hebben ze een stad in het Servische deel uitgekozen voor hun humanitaire hulp - Bosnische Serviërs voelen zich toch al zo benadeeld. De heilsoldaten benadrukken dat niets voor niets is en dat ieder bedrijf (ook de boeren die koeien krijgen) de investering binnen 13 jaar moet hebben terugbetaald. Anders zou men de zaken wellicht niet serieus nemen en zou een en ander bovendien scheve ogen geven.

Ik zeg dat het project mij sympathiek aandoet - vooral ook omdat het in het Servische deel is. Daarop vertellen de heilsoldaten dat men ook de sympathie van de bevolking heeft, nauw samenwerkt met de burgemeester en zelfs een uitstekende relatie heeft met de priester, “al zei die wel dat wij hier gerust koeien naartoe mochten brengen, maar dat het geloof zijn zaak was.”

Het Leger des Heils opereert in zaken van geloof dan ook behoedzaam in dit Bosnisch-Servische (christelijk-orthodoxe) Sipovo - en wel via een cursus Engels. Die cursus wordt gegeven door een Amerikaanse heilsoldaat, “en les is natuurlijk een hele goede manier om ook iets van ons geloof over te dragen. Ben jij in Nederland het Leger des Heils wel eens tegengekomen?”

    • Kees Beekmans