GEHEIM VAN DE SMID (4)

In zijn 'Geheim van de smid' in de wetenschapsbijlage van 26 juli behandelt W.P. Gerritsen de door Strohmaier vertaalde, in 1991 uitgegeven publicatie van al-Biroeni: 'In den Gärten der Wissenschaft, Ausgewählte Texte aus den Werken des muslimischen Universalgelehrten'.

Die teksten stammen uit ongeveer het jaar 1000. Gerritsen kiest daaruit het verhaal over een bijzondere manier om 'hard ijzer' te winnen uit mest van struisvogels, die men van te voren gevoerd heeft met voer waardoor 'kleine stukjes ijzer zijn gemengd'. De Byzantijnen zouden dat geleerd hebben van de 'Russen' (lees Noormannen).

Gerritsen merkt op dat een en ander minder fantastisch zou kunnen zijn dan het lijkt, omdat ook in de Thidrekssaga een soortgelijk verhaal voorkomt. Ik wil hierbij twee kanttekening maken.

1. Het interessantste van de tekst van al-Biroeni is dat kennelijk dit staalprocédé (want dat is het), toegepast (uitgevonden?) door Wieland de Smid rond 300 na Christus, 700 jaar later in Samarkant, middelpunt van de Centraalaziatische moslimbeschaving, bekend blijkt te zijn, wie weet via de zelfde bronnen als de veel later opgeschreven Thidrekssaga.

2. Gerritsen veronderstelt (in navolging van oude literatuur) dat de Thidrekssaga gebaseerd is op het leven van de Gotenkoning Theoderik de Grote (456-526). Modern onderzoek heeft echter uitgewezen dat niet Theoderik de Grote maar een bijna honderd jaar oudere Nederduitse krijgsheer Dietrich von Bern de hoofdfiguur van deze sage is. De oudst bewaarde vorm, in oud-Zweeds (de 'Svava') benadert de vorm van een zakelijke beknopte kroniek zonder dramatische en lyrische franje.

Onderzoekers als H. Ritter-Schaumburg, W. Böckmam en H.G.Vitt en anderen hebben de gebeurtenissen van de 'Dietrich von Bern'-saga kunnen plaatsen in de nederduitse wereld rond het Sauerland en Siegenland met Trier in het zuiden, het Soniënbos (België) in het Westen, Soest in aangrenzend Westphalen en de Porta Westphalica in het noorden, en het Harzgebergte in het oosten. De mythische figuren als Siegfried, Kriemhilde, Brunhilde, Gunter, Hagen, W(i)eland de Smid, Attala, koning der Hunnen (Westfalen), ook de mythische Nibelungen (=Niflungen): het zijn gewone Franken van vlees en bloed uit het Rijnland. Ze stierven bij bosjes, zoals het Nibelungenlied vertelt, in Attala's burcht in Busa (Soest in Westphalen) waar hun botten dan ook teruggevonden zijn, samen met hoogstwaarschijnlijk het graf van onder anderen Kriemhilde, de aanstichteres van het Niflungen-drama.

Het waarheidsgehalte van de mededelingen in de oudste (Zweedse) vorm van de Thidrekssaga wordt versterkt door de nauwkeurige geografische aanduidingen van afstanden (dagreizen), de ligging en namen van bossen, burchten en steden. Die geografische gegevens zijn reeds sinds duizend jaar door de voornamelijk letterkundig en dramatisch geïnteresseerde kunstenaars, die de sage doorgaven ernstig misverstaan.

Zo zag men: de Dhün bij Keulen (vroeger Duna) voor de Donau aan, Sauveniëre (België) voor Salerno, Hesbania (Hespengauw), Oost-België voor Hispanje, De Wizara (een klein stroompje nabij Dortmund, waar een van de helden met een paard over springt) voor de Weser, Roma-sequenda alias Belgica-Romea (=Trier), voor Rome, Bern (=Bon) voor Verona, Venedi (=Wenden) voor Venetië (dat omstreeks 300 nog niet bestond), Greken(=Graach aan de Moezel) voor Griekenland, Attala (van Friese afkomst), Koning van Hunaland (= Westphalen) voor Atilla (Etzel) aanvoerder der Hunnen-horden, de invallers uit het oosten.

Geen wonder dat zo een redelijk nauwkeurig verslag (zij het met enig jagerslatijn) tot een ongeloofwaardig voortbrengsel van dichterlijke fantasie verwordt. Diederik zelf, afkomstig uit een Belgisch geslacht, in zijn latere leven koning van een bij elkaar gevochten stuk Rijnland en Westphalen, de lokale ongeletterde vechtersbaas, komt er uit te voorschijn als een totaal andere figuur dan de bijna een eeuw jongere Theodrik, de redelijk intellectuele Gotenkoning, die over het Byzantijnse rijk heerste.

Ook de verhalen over Wieland de beroemde smid uit het Westphaalse Siegerland (later verfraaid met toverij en mysteriën) inclusief het door Gerritsen geciteerde staalprocédé worden nu aanzienlijk geloofwaardiger. Ritter (1982) en H.G. Vitt (1985) kunnen dan ook Dr.Ing. J. Heddaeus en Dr.Ing K. Daeves (Rundschau Deutsche Technik Nr.26, 2o Jg. 27-6-'40) citeren omtrent onderzoeksresultaten uit het jaar 1936(!) gedaan op het Laboratorium der Kohle- und Eisenforschung GmbH,- Vereinigte Stahlwerke A.G te Düsseldorf. Daar heeft men het procédé van Wieland (uit ca. 300!) nagedaan en bevonden dat het inderdaad een goed soort staal opleverde. Staal (het 'harde' ijzer van al-Biroeni) verschilt van het gewone 'zachte' doordat het koolstof bevat. Bij de moderne vormen van staal heeft men de hardheid kunnen vergroten (onder andere scheermesjes) door ook stikstofverbindingen in te bouwen. Laat nu het procédé van Wieland van 1700 jaar geleden dat stikstofprincipe reeds insluiten! Het Ruhrgebied, centrum van de moderne ijzerindustrie, ligt pal tegen het Siegerland, Wielands land, aan. Hoe kan het ook anders.