Fluorescerend onkruid; Telers berekenen zelf hoeveelheid herbiciden

DAVID KETEL van het Instituut voor Agrobiologisch en Bodemvruchtbaarheidsonderzoek (AB-DLO) in Wageningen plukt een blaadje van een miezerig kamerplantje. Hij legt het onder een draagbare fluorescentie-meter van zo'n dertig centimeter lang en kijkt naar het getal zeventig dat op een schermpje verschijnt. “Ah”, zegt hij, “deze kamerplant is nog gezond. “Planten die onder de vijftien zitten zijn klinisch dood, al zie je dat nog niet aan de buitenkant.”

De handzame fluorescentie-meter die het Delftse ingenieursbureau EARS vijf jaar geleden op de markt bracht voor het meten van stress aan tuinbouwgewassen is sinds kort onderdeel van een nieuwe methode om onkruidbestrijdingsmiddelen te besparen. Deze zomer testen Ketel en collega's de methode bij veertien maïs- en bietentelers. De telers besparen ermee zo'n 75 tot 175 gulden per hectare aan herbiciden en arbeidskosten. Vanwege het succes wil de Land- en Tuinbouworganisatie volgend jaar demonstraties organiseren voor andere boeren.

Bij het spuiten volgen boeren nu nog vaak de doseringen die de verpakkingen van herbiciden aanbevelen. Maar die etiketdoseringen zijn weinig precies; ze houden geen rekening met variaties in weersomstandigheden, bodemgesteldheid, plantgrootte en planttype, waardoor meestal sprake is van overdosering. Dit seizoen bijvoorbeeld, hadden de Nederlandse telers achteraf gezien met minder dan de helft van de etiketdosering toegekund vanwege de voor herbicide-opname gunstige luchtvochtigheid en temperatuur. Veel boeren durven echter niet van etiketdoseringen af te wijken. Want hoe weten ze of ze niet te weinig hebben gespoten?

De Minimum-letale herbicide doseringsmethode (MLHD) helpt boeren de toediening van landbouwgif af te stemmen op de eigen situatie. De methode past helemaal in de zogeheten precisie-landbouw, het nieuwe ideaal van de Wageningse teeltkundigen: telers dienen geen etiketdoseringen meer toe, maar bepalen per vierkante meter hoeveel chemicaliën ze op een bepaald tijdstip nodig hebben.

Van het pas opgekomen onkruid moeten de boeren van minimaal 25 jonge onkruidplantjes de droge bladeren wegen op een keukenweegschaal. Daarna moeten ze het bladgewicht delen door het aantal geplukte planten. Op de gemiddelde waarde laten ze een simpele formule los, waarbij ze gebruik maken van tabellen. Het gaat hier om sterke vereenvoudigingen van complexe modellen die kwantitatieve verbanden aangeven tussen factoren als onkruid-grootte, aantal herbicide-moleculen die worden gebonden aan chlorophyl, herbicide-type en groeisnelheid van het onkruid. De uitkomst van de formule geeft aan hoeveel herbiciden ze nodig hebben. Vaak is dat maar tien tot vijftig procent van de aanbevolen dosis op het etiket.

Wellicht zouden de boeren niet zoveel durven afwijken van de standaarddosering als ze niet tijdig konden ingrijpen wanneer het fout ging. Vandaar de fluorescentie-meter. Op de tweede dag na het spuiten plukken de telers opnieuw onkruidplanten en leggen ze onder de fluorescentie-meter om te kijken in hoeverre het herbicide (een fotosynthese-remmer) is aangeslagen. Het apparaat meet hoeveel van het opgevallen licht de onkruidplant terugzendt. Hoe meer, hoe minder de plant gebruikt voor fotosynthese, hoe beter het herbicide is aangeslagen. Een nog schijnbaar levend onkruidje dat 85 procent van het licht terugkaatst (waarde vijftien) is dood. Een onkruidplantje dat rond de dertig scoort is weinig levensvatbaar en heeft nauwelijks nog extra herbicide nodig. Met de gemiddelde waarde van onkruidplanten kunnen boeren berekenen hoeveel ze op een bepaald stuk areaal nog moeten bijspuiten. Een paar dagen later kunnen boeren met de fluorescentie-meter opnieuw bepalen of er herbicide bij moet.

Een beperking van de methode is dat hij alleen nog is ontwikkeld voor de fotosynthese-remmers, een 'oude' groep herbiciden die over tien tot vijftien jaar zal zijn vervangen door minder milieubelastende herbiciden als sulfonyl-urea. Verder is de hoge prijs van de fluorescentie-meter (11.000 gulden) een sta-in-de-weg.

Als de doseringsmethode aanslaat, moeten de boeren wennen aan een nieuwe manier van werken waarbij ze ook zelf experimenteren. “De meeste boeren hebben altijd alleen met het gewas te maken gehad”, ervaart Ketel. “Voor hen is het nu nog vreemd om onkruidjes te wegen en onder een fluorescentie-meter te leggen.”