Extreem rechts wint bij malaise Noorse politiek

De extreem-rechtse Progressieve Partij in Noorwegen is, zo blijkt uit een opiniepeiling, zeer populair. Is haar opmars meer dan een reactie op het gekibbel van de traditionele politieke partijen?

ROTTERDAM, 16 AUG. Hij is voor drastische verlaging van de belastingen en tegen restricties op de verkoop van alcohol en pornografie, voor extra financiële steun aan bejaarden en instandhouding van het sociale zekerheidsstelsel en vooral ook tegen de komst van “nog meer” immigranten naar het land. Dit politieke pakketje met voor elk wat wils verklaart - in ieder geval gedeeltelijk - de opmerkelijke populariteit van Carl I. Hagen, leider van de extreem-rechtse Progressieve Partij in Noorwegen.

Over een maand zijn er parlementsverkiezingen in Noorwegen en een verontrustende opiniepeiling heeft de kwakkelende campagne eindelijk enige vaart gegeven. De Progressieven kunnen volgens die enquête rekenen op ruim 22 procent van de stemmen, slechts 6 procent minder dan de regerende sociaal-democratische Arbeiderspartij van premier Thorbj/orn Jagland. Daarmee zouden ze de tweede partij van het land worden, groter dan de Conservatieven, die in de peiling niet veel verder komen dan 13,5 procent.

De Progressieven hebben ongetwijfeld flink geprofiteerd van het onderlinge gekibbel van de traditionele partijen. Rechts van het midden sluiten Centrum Partij, conservatieven en christen-democraten onderlinge samenwerking uit. Politiek zijn ze het in grote lijnen weliswaar eens, maar meningsverschillen over Europa en vooral veel oud zeer van vroegere samenwerking maken coalitievorming nagenoeg onmogelijk.

De sociaal-democratische premier Jagland gaat nog liever in de oppositie dan dat hij gedwongen wordt te regeren met anderen - bijvoorbeeld met de liberalen en Socialistisch Links. “Als de oppositie bij de verkiezingen meer stemmen haalt, moet zij de verantwoordelijkheid nemen om een regering te vormen”, zei Jagland onlangs in de Noorse krant Arbeiderbladet.

Volgens velen was die uitspraak vooral bedoeld als een dreigement aan kiezers die denken gerust eens op een andere partij te kunnen stemmen om de Arbeiderspartij toch wel weer zal regeren. 'Voorzichtig-links' is volgens velen als het ware de natuurlijke politieke stroming van een Noorse regering. Maar de Arbeiderspartij heeft gemerkt dat dit sinds het tussentijdse vertrek van de populaire premier Gro Harlem Brundtland niet meer zo is. Veel sociaal-democraten achten het uitgesloten om binnen een maand tien procent van de kiezers terug te winnen - dat aantal is nodig om hetzelfde resultaat te boeken als bij de verkiezingen van 1993. Zij pleiten daarom voor samenwerking met anderen. Jagland houdt echter voet bij stuk.

De enige die niet hoeft te denken aan welke samenwerking dan ook is Carl Hagen. “Geen van de andere partijen wil met mij praten over samenwerking”, bromde hij deze week verongelijkt tegen Noorse journalisten. “Dus ik zal geen premier worden, ook al wordt de Progressieve Partij de op een na grootste in het land.” Met een winst van 14 procent ten opzichte van 1993.

Intussen spint Hagen garen bij het geruzie van de traditionele partijen. Het is alsof iedere afkeurende opmerking over zijn ideeën uiteindelijk de criticus treft. Niemand lijkt de populist daarom stevig aan te durven pakken. Bij de gemeenteraadsverkiezingen twee jaar geleden werd er wel wat gemord toen Hagen het 'immigratie-vraagstuk' hoog op de politieke agenda plaatste. En de verontwaardiging was groot toen een krant onthulde dat de partijwoordvoerder voor immigratievraagstukken gezien was bij een neonazistische bijeenkomst. Maar de kiezers trokken zich er niets van aan. Met 12 procent van de stemmen werden progressieven de derde politieke stroming van Noorwegen.

Analisten en politici braken zich het hoofd over de oorzaken. Waar kwam die xenofobie vandaan in een uitzonderlijk rijk land, dat niet zozeer kampt met een tekort, maar met een overschot op de begroting, dat bovendien een uiterst restrictief toelatingsbeleid voert en slechts 4 procent buitenlanders binnen zijn grenzen heeft wonen (waarvan tweederde afkomstig is uit Europa)?

Volgens sommigen is het slechts het gevolg van het geklungel van de traditionele politiek en de handige machinaties van Hagen. Maar volgens anderen heeft de politiek veel te lang de ogen gesloten voor de sluimerende vreemdelingenangst in Noorwegen. Uit een onderzoek bleek dat een kwart van de Noorse kiezers in 1993 vond dat het overheidsbeleid ten aanzien van asielzoekers te ruimhartig was - geen van de partijen heeft daar toen op gereageerd.

Khalid Samali, een Pakistani die al ruim twintig jaar in Noorwegen woont en leiding geen aan de grootste anti-racisme organisatie in het land, beschouwt het feit dat Noorwegen pas in 1905 onafhankelijk werd van Zweden als een belangrijke oorzaak van de xenofobie. “Het proces van natie-vorming is nog niet voltooid”, aldus Salami. Daar komt bij dat de Noorse afwijzing in november 1994 van het lidmaatschap van de Europese Unie het isolationisme en het gevoel van eigen superioriteit ongetwijfeld een extra impuls heeft gegeven.

Net als bijvoorbeeld in Frankrijk (Le Pen) en Oostenrijk (Haider) zoeken de traditionele partijen naar hun houding tegenover Hagen. Negeren kan niet meer, samenwerken lijkt uitgesloten en confrontatie heeft tot nu toe niets opgelevert. Dus wijzen ze slechts met de beschuldigende vinger naar elkaar. “Het is tijd dat de mensen gaan beseffen hoe dicht sommige ideeën van Hagen liggen bij die van Jagland”, zei Anne Enger Lahnstein, leider van de Centrum Partij, enige tijd geleden.

Als de partijen in de komende maand geen antwoord op Hagen weten te bedenken en coalitievorming onhaalbaar blijft, is er straks nauwelijks een alternatief voor de huidige regering. Dan zouden de verzwakte sociaal-democraten voor regeringsbesluiten wel eens afhankelijk kunnen zijn van de Progressieve Partij.