Elvis maakt eeuwige jeugd tot dwangneurose

Waarom rest na een eeuw waarin de relativiteitstheorie, de penicilline en het logisch positivisme werden bedacht, als samenvatting van de Westerse levensstijl slechts een dode liedjeszanger wiens meeste hits nauwelijks twee minuten duren, vraagt Bastiaan Bommeljé. Elvis Presley was de man die de tijd nóg relatiever maakte dan Einstein deed.

Twintig jaar geleden stierf Elvis Aaron Presley op zijn toilet. Het was geen mooi einde, zo tussen zijn eigen uitwerpselen. Het was zeker geen mooi einde voor iemand die waarschijnlijk het bekendste symbool van de populaire cultuur in onze tijd was - en is.

In deze dagen van Elvis-herdenkingen, Elvis-specials en Elvis-jamborees verdient één vraag beantwoording: waarom rest na een eeuw waarin de relativiteitstheorie, de penicilline en het logisch positivisme werden bedacht, na een eeuw waarin bloed werd vergoten voor grote idealen, als samenvatting van de Westerse levensstijl slechts een dode liedjeszanger wiens bekendste hits meer dan veertig jaar oud zijn en per stuk nauwelijks twee minuten duren?

Oog in oog met een volgend millennium klampen wij ons vol overgave vast aan het verleden, zoveel is evident. Niet voor niets is het best bewaakte videofragment van dit moment een opname van de drie overgebleven Beatles (deze popgroep werd 25 jaar geleden opgeheven, maar was in 1996 het best verdienende muziekensemble ter wereld) die Blue Moon of Kentucky spelen - de b-kant van Elvis' eerste plaatje uit 1954.

De huidige aandacht voor Elvis zegt iets over het tanen van wat de historicus Pieter Geyl “de vitaliteit van de Westerse beschaving” noemde. Maar het maakt ook iets belangrijkers duidelijk: de populaire cultuur, waarvan Elvis inderdaad de Koning is, heeft ertoe geleid dat de beleving van tijd wezenlijk is veranderd. Franse geschiedschrijvers spreken in dit verband over le temps vécu (de geleefde tijd) ter onderscheiding van de reële tijd, de tijd die doortikt en de haren grijzer, de rimpels dieper en de embonpoints pijnlijker maakt. Als de babyboomgeneratie zich in iets onderscheidt van alle voorafgaande generaties, dan is het de dwangneurose van de eeuwige jeugd.

De moderne mens kent geen levensfasen meer. Bij wijze van anticiperende socialisatie krijgen tien-jarigen verplichte houseparty's op school, terwijl menige zestigplusser in korte broek ongegeneerd staat mee te deinen met The Rolling Stones. De geleefde tijd van de moderne Westerse mens is een altoos-durende adolescentie, en dat is een volstrekt nieuw verschijnsel in de geschiedenis.

Elvis vormt hierbij de waterscheiding. Door hem is 'jeugd' een grenzeloos domein geworden. Men wordt geboren op de tonen van een Elvis-cd (met liedjes uit 1956), leeft terwijl de Elvis-cd in lift en supermarkt nooit meer ophoudt (met liedjes uit 1956), en gebruikt diezelfde Elvis-cd (met liedjes uit 1956) als muziek voor de eigen begrafenis. Sinds Elvis is 'tijd' nog relatiever dan Einstein ooit kon bevroeden. 'Elvis' staat model voor de gehele digitaal reproduceerbare populaire cultuur. Het bestaan is een auditieve glijbaan zonder hindernissen geworden, en dat is met hem begonnen.

Toen Presley in 1956 doorbrak, waren er in de Verenigde Staten 13 miljoen 'teenagers'. Zij stonden na tien jaar ongekende welvaartsgroei klaar om van het leven te genieten. De gemiddelde Amerikaanse teenager had op het moment dat Heartbreak Hotel uitkwam meer dan 10 dollar per week te besteden. De goedkoopste transistorradio kostte slechts 25 dollar, en jongeren konden voor het eerst op krediet platenspelers kopen (er was slechts één dollar aanbetaling nodig voor de aanschaf van een 'Elvis Presley Portable Record Player'). Tegen de tijd dat Elvis in het leger moest (1958), werden er per jaar zo'n 10 miljoen van verkocht.

Men hoeft geen historisch materialist te zijn om te begrijpen dat Elvis dankzij deze technologische massaficatie tot een cultureel icoon werd. De draagbare radio's, de goedkope platenspelers, de televisie (midden jaren vijftig al 25 miljoen in de VS) maakten hem tot een held van zijn tijd - zoals hij zijn resurrectie goeddeels te danken had aan de uitvinding van de cd die zijn oeuvre van zo'n 1.100 verschillende opnames nu in elke samenstelling eeuwig reproduceerbaar maakt.

Elvis paste in een cultuur waarin door de democratisering van de technologie de grenzen tussen klassen, generaties en kleuren meer en meer afbrokkelden. Als blanke zanger brak hij door met 'zwarte' muziek op een moment dat de rassensegregatie in de Verenigde Staten op allerlei fronten begon te wankelen - hoewel in Memphis zwarte agenten nog geen blanken mochten bekeuren. In het jaar van That's All Right (Mama) (1954) kwam de epochemakende 'Brown vs. The Board of Education'-uitspraak van het Hooggerechtshof, en in het jaar van Mystery Train (1955) maakte Rosa Parks geschiedenis door in een bus in Montgomery, Alabama, te weigeren op te staan voor blanken.

Maar dat Elvis dit proces eigenhandig met revolutionaire raciale cross-over in gang zette, is 'invented tradition'. Het is een constructie achteraf van intellectuelen die zijn vroege rockabilly-periode idealiseren, om een andere Elvis te hebben dan de lager opgeleiden, die de latere Las Vegas-Elvis als hun rolmodel zien. Presley was allesbehalve een rebel. Slechts vijftien maanden na zijn debuut bij SUN-records werd hij voor het astronomische bedrag van 35.000 dollar onder contract genomen door RCA, en weer een jaar later betaalde Ed Sullivan hem 55.000 dollar voor drie televisie-optredens.

In de jaren vijftig zagen intellectuelen hem helemaal niet als een tegendraads artiest die bewust de kloof tussen zwarte en blanke cultuur overbrugde. Toen Norman Mailer in 1957 zijn ophefmakende The White Negroes schreef, noemde hij Presley niet eens, terwijl die op dat moment al voor 100.000 dollar 'zwarte' muziek verkocht aan blanke middle class-jongeren - 100.000 dollar per dag. Als Elvis een rebel was, dan wel een duurbetaalde.

Zo is het evenzeer een mythe dat Elvis Presley de rock-'n-'roll heeft 'uitgevonden'. Hij heeft een reeds bestaande traditie acceptabel en commercieel gemaakt. Al in 1943 zongen de Boswell Sisters het liedje Rock and Roll, in juni 1948 bereikte Wyonie Harris met Good Rockin' Tonight de eerste plaats van de (zwarte) hitparades, en in 1954 verkocht Bill Haley al meer dan een miljoen exemplaren van Shake, Rattle & Roll. En à propos: Elvis gebruikte geen Brylcreem in zijn kuif, maar Royal Crown Pomade, een product dat door trendy zwarte hep cats werd gebruikt om hun haar te ontkroezen en zo blanker te lijken.

Nu alle Elvis-liedjes weer gedraaid zijn, alle Elvis-films weer vertoond, en alle Elvis-boeken uit de kast gehaald, resteert een onbehaaglijk gevoel van mysterie. Niet zozeer inzake Presley zelf, van wie we onderhand alles weten. Het mysterie schuilt in onszelf, in onze zonderlinge, quasi-religieuze verhouding met deze dode zanger, die door Leonard Bernstein werd omschreven als “de belangrijkste culturele kracht in de twintigste eeuw”.