Een weldadige handenwarmer

'WILARS DE HONECOURT groet u en verzoekt allen die de uitvindingen zullen toepassen die men in dit boek zal vinden, te bidden voor zijn ziel en hem in herinnering te houden. Want in dit boek kan men zeer goede adviezen vinden over de grote kunst van de architectuur en de constructie van timmerwerk, en u zult er ook de grondslagen van de tekenkunst in vinden, zoals de wetenschap van de geometrie die voorschrijft en onderwijst.'

Met deze woorden, in een Oudfrans dat zijn Picardische herkomst verraadt, begint de kunstenaar Villard de Honnecourt rond het jaar 1235 zijn beroemd geworden schetsboek. Dit 'Bauhüttenbuch', zoals de Zwitserse Villard-specialist Hans R. Hahnloser het noemt, bevat een groot aantal voorbeelden van architectonische details die Villard tijdens zijn reizen in Noord-Frankrijk, Zwitserland en Hongarije heeft getekend en van commentaar voorzien; daarnaast geeft hij modellen van menselijke figuren en dieren in allerlei houdingen, en ten slotte tekent en beschrijft hij een aantal 'engins'. Met dit laatste woord, dat afstamt van het Latijnse 'ingenium' (vernuft) en dat op zijn beurt tot het Engelse 'engine' (machine) heeft geleid, bedoelt Villard iets als 'uitvinding', 'bijzondere technische constructie', 'apparaat'.

Op een van de bladen van zijn schetsboek heeft Villard, zonder toelichtende tekst, een tweetal halfnaakte mannen getekend die een bordspel spelen; op een ander plan, boven hun hoofden, ziet men een haas (of konijn?) en een everzwijn. In een later stadium heeft hij het blad ondersteboven gekeerd om nog twee tekeningen toe te voegen, ditmaal met uitvoerige beschrijvingen. De tekening rechts stelt een 'cantepleure' voor, een schaal waaruit een mechanisch beweegbare vogel wijn schijnt te drinken (in werkelijkheid loopt de overtollige vloeistof door een buisje in de bodem van de schaal weg). De tekening links bestaat uit een aantal concentrische ringen die in hun middenlijn, afwisselend evenwijdig aan de lange of aan de korte zijde van het blad, met elkaar verbonden zijn. De binnenste cirkel draagt een inscriptie: 'Dit apparaat ('engiens') is zo gemaakt dat hoe men het ook draait, de pan altijd rechtop blijft'. De toelichting maakt duidelijk dat het hier om een 'escaufaile de mains' gaat, een handenwarmer - het woord is afgeleid van het Latijnse calefactorium' dat 'warmmaker' betekent. In het binnenste van een koperen bol of appel ('pume'), die uit twee op elkaar passende helften bestaat, bevindt zich een pannetje met vuur of een andere gloeiend-hete substantie. De ophanging van dit vuurpannetje is cardanisch, zoals bij een scheepskompas: zowel het pannetje als de zes ringen hangen aan twee tegenover elkaar liggende nokken die in de erbuiten liggende ring kunnen draaien; de draai-assen van het pannetje en de zes ringen staan afwisselend haaks op elkaar.

Villard is zeer ingenomen met de constructie. “Dit apparaat”, schrijft hij, “is zeer geschikt voor een bisschop: hij kan welgemoed aan de hoogmis deelnemen, want als hij dit apparaat in zijn handen houdt, zal hij het niet koud hebben, zo lang als het vuur duurt. Een beter apparaat is er niet.” Er zijn uit de dertiende eeuw en later verscheidene van deze handenwarmappels overgebleven, onder andere in de kerkschat van de Sint Pieter in Rome. Volgens Hahnloser hebben alle bekende exemplaren twee of drie in plaats van zes ringen. De handenwarmappel in het hospitium op de Grote Sint-Bernard, een werkstuk van een kopersmid uit de Maasvallei, verklapt wat er in het pannetje ging: een ijzeren bal met een oog eraan die men met behulp van een tang in het vuur kon verhitten. De buitenkant van de appel, doorboord met gaatjes, is bij alle bewaarde exemplaren fraai versierd met geometische figuren en/of afbeeldingen van heiligen in gedreven koper, soms verguld. Men roept zich zonder moeite een bisschop voor de geest die met een dergelijk kleinood in de handen onder de blikken van zijn kleumende clerus naar het altaar schrijdt. Moeilijker is het zich voor te stellen hoe snerpend koud het gedurende een deel van het jaar in een middeleeuwse kerk moet zijn geweest.

Zie Hans R. Hahnloser: Villard de Honnecourt. Kritsche Gesamtausgabe des Bauhüttenbuchs ms.fr. 19093 der Pariser Nationalbibliothek (2. Aufl., Graz, 1972).