Deja vu

Zweven door het luchtruim en dan neerkomen in koel water. Niets lijkt aangenamer dan vanaf een hoge positie in het water te duiken. Al tijden raken mensen erdoor in staat van opwinding. Enkelen hebben er een sport van gemaakt van rotsen of bruggen met het hoofd naar beneden in het water te springen.

Anderen scheppen er genoegen in alvorens zij in gestrekte duikvlucht in het water vallen hun lichaam een of meermalen te wentelen of anderszins te bewegen. In tegenstelling tot andere vormen van duiken is schoonspringen sinds de Spelen van 1904 uitgegroeid tot een olympische sport. Springen doen ze op olympisch niveau vanaf een stabiele plank op een toren, vanaf een verende plank van één meter en een van drie meter. De figuren die de duiker maakt komen tot stand door het lichaam te laten draaien, hetzij om de breedte-as (zweefsprongen en salto's), hetzij om de lengte-as (schroefsprongen). Ook combinaties daarvan zijn mogelijk. Bij het torenspringen bestaat nog de mogelijkheid vanuit handstand te water te gaan. Aan de kant van het springbassin staan juryleden om de sprong te beoordelen. Gratie wordt te allen tijde verlangd. Een duiker die bij de landing veel water doet opspatten, moet rekenen op een onvoldoende. En degene die op zijn buik te water gaat, doet zichzelf pijn. Zweven door het luchtruim mag dan aangenaam zijn, landen is dat zelden.