Zomergenoegens

Een halve eeuw geleden schreef ik een gedicht dat 'De distel en de elf' heette. Het verscheen, het verdween. Vreemd om te bedenken dat ooit iemand het gelezen zal hebben. Een slecht gedicht, ook moreel want de distel is kennelijk een jongeman die door zijn vriendin, de elf, in de steek is gelaten.

Wrokkig meldt hij dat hij het 'laatste leven op de rots/ met moeite voortleeft: stil en trots' terwijl zij het kleed dat haar past scheurde 'voor groene schijnen rood bombast'. Een rotjongen, helemaal geen distel, een kruidje-roer-me-niet. Ik schaam me. Maar het eerste couplet heb ik nooit verloochend: Dit zei de distel tot de elf: Het jaargetij bepaal ik zelf, 't seizoen laat mij zo ongemoeid dat het kan sneeuwen eer het bloeit.

Ik begrijp overigens niet waarom in de laatste regel 'eer' staat. In mijn geheugen staat er 'als', heel wat pregnanter. De zelfverzekerdheid van de distel is in mij verloren gegaan maar zijn protest tegen de indeling van het jaar waardeer ik. Die distel heeft, neem ik aan, op zich niets tegen voorjaar, zomer, herfst en winter. Hij heeft er iets op tegen dat de seizoenen zijn gevoelens bepalen, dat zij hem verplichtingen opleggen, dat hij heeft te gehoorzamen. Hij wil dat niet, verwachting in het voorjaar, laaiend geluk in de zomer, melancholie in het najaar, verinnerlijking in de winter. Hij maakt zelf wel uit wat hij voelt en denkt.

Gehoorzaam aan het mooie weer ging ik naar het Leidseplein. Per Stadsmobiel. Dat is een beminnelijke dienst van het gemeentelijk vervoerbedrijf van Amsterdam. Je maakt een afspraak, er komt een kleine bus voorrijden, je wordt per liftje met rolstoel en al naar binnen gebracht en afgezet op de plek binnen de stadsgrenzen die je hebt aangegeven. Het vervoer kost niet meer dan een tramrit. De begeleider hoeft niets te betalen.

Mijn vrouw rolde mij zo wat langs de Lijnbaansgracht, door de Nieuwe Spiegelstraat, door de Kerkstraat, en we wezen elkaar op etablissementen die voor ons betekenis hadden bewaard: het Chinese restaurant waar we gegeten hadden toen ik een belangrijke beslissing voor mijn loopbaan had genomen, het café waar we geschrokken hadden geluisterd naar de schilder Wim Schuhmacher, zo'n voortreffelijke en beroemde schilder en zo vol wrok, het terras waar ik had gezeten met een man die van iedere auto die langs kwam fabrieksnaam en bouwjaar noemde, schrikwekkend. Het stemde melancholiek. Nog steeds geneigd het jaargetij zelf te bepalen prevelde ik “Mais où sont les neiges d'antan”.

De Leidsestraat maakte ons zenuwachtig, we voelden ons opgelucht toen we op het Leidseplein een tafel hadden gevonden met enig uitzicht. Het was er vol en suf. Ik had gehoopt op exuberantie, naakten, verliefden, dégénérés, exotische vrouwen trippelend als hazewinden, en er was zelfs geen zwerver. Burgermensen als ikzelf, en iedereen zweeg. Mooi warm weer met een frisse oostenwind, heel helder licht, niets van benauwdheid of hitte, en toch leek het of wij allen in slaap waren gevallen.

We rolden verder, door de P.C. Hooftstraat die niet geschikt is voor rolstoelen. Mijn vrouw die de rolstoel duwde zag andere dingen dan ik, de etalages en de gezichten van de mensen die erin tuurden. Ik zag alleen hun achtersten en hun benen die zich weifelend bewogen, een pasje zus, een pasje zo, een voet even boven de grond gehouden omdat over de stap nog niet was beslist, een bekken dat draaide terwijl de benen pal stonden, en ik stelde mij voor dat de hoofden ver boven mij bepeinsden of bepraatten of er nog meer naar jurken gekeken moest worden. Het was interessant, al dat denken vertaald te zien in bewegingen van het onderstel.

We rolden door het Vondelpark. Daar lagen de naakten op het gras. Ik was nog bezig met mijn observaties in de P.C. Hooftstraat, dat moet mijn wijze van zien hebben beïnvloed. Er lag een nog vrij jonge vrouw op haar buik een boek te lezen. Haar rug was bloot, haar slip was zo hoog opgetrokken dat ook haar billen, keurig bruinverbrand, vrijwel bloot waren. Er was niets schokkends of prikkelends aan. Maar dat hoofd, dacht ik, neemt nu lectuur tot zich, een roman of een studieboek, en moet zich ervan bewust zijn dat heel ver weg, voor dat hoofd enkel door middel van een spiegel ooit zichtbaar, die stevige billen zich prijsgeven aan zonnestralen en mensenblikken. Wat zou dat hoofd denken van die billen, wat zouden die billen denken van dat hoofd?

Jonge paren lagen er, het meisje op haar rug, de jongen kruiselings naast haar, het hoofd op haar buik. Hoe zou zo'n buik zich voelen, is zo'n hoofd niet te zwaar, kriebelen die haren niet, zulke zorgelijke gedachten gingen in mij om terwijl ik erlangs werd gerold. Iedereen zweeg, iedereen leek te slapen. Echt slapen deed een man in een donker colbert, op een bankje diep in de schaduw, het hoofd op de borst gezakt, duidelijk dronken. Het was een verademing. Hij had het seizoen niet gehoorzaamd.