Werken moet eruitzien als vrije tijd

Zon, zee en zand! Echt, zonder enige aarzeling kies ik ongezien het hele jaar door, vierentwintig uur per dag, voor het lokkend alternatief. De verkwikking van heerlijk monotoon werk achter een bureau. Alles is betrekkelijk. Dat is waar, maar zon, zee en zand zijn voor de laat twintigste eeuwer duidelijk de sociaal gewenste keuze, ook al zullen velen mijn voorkeur wel zwijgend delen. Wat hebben we onszelf aangepraat? Hoe zijn we zo geprogrammeerd geraakt?

De zon steekt hinderlijk in je ogen en brandt op je kalende kop. Niet iets om een hele winter naar uit te zien. De zee is meestal bevuild, altijd onsmakelijk zout en verder vooral om over te vliegen of omheen te trekken. Niet iets om op te zoeken via eindeloze files en wachtende rijen. En zand! Zand is in het geheel van de schepping wel een van de meest vileine kwellingen voor de mens. Of het nu is om je in voort te slepen, in te liggen branden of in ogen, oren en neusgaten te voelen waaien, zo snel mogelijk asfalteren is altijd de mildste uitweg.

Er zijn in onze cultuur eigenaardige opvattingen gegroeid over werken en niet-werken, over vrije tijd, en over vakantie als iets dat gunstig bij werken afsteekt. Honderd meter door het rulle zand van strand of bospad strompelen, slaat voor mij echter alles wat ik me als minder gewenst bij werken voor zou kunnen stellen.

Sommigen denken daar klaarblijkelijk anders over. Dat is hun goed recht, maar het is wel dermate onbegrijpelijk, dat zulke opvattingen aan nader onderzoek onderworpen zouden moeten worden. De kern van het probleem schuilt, geloof ik, eerder in de opvatting over werk dan in die over vrije tijd. Het is vooral tegen werk waar we nogal eigenaardig aankijken.

Werk heeft in onze cultuur het karakter van iets nuttigs, noodzakelijks, en ook onnatuurlijks gekregen. Soms is werk nuttig, maar niet vanzelf, en er is ook heel wat onnuttig werk, zoals iedereen weet, die wel eens voor een loket of in een file voor wegwerkzaamheden heeft vastgezeten. Dat werk noodzakelijk is, gaat hooguit de laatste honderd jaar voor een vanzelfsprekendheid door, vooral onder invloed van socialisme en modern christendom, en door de manier waarop we zelf onze maatschappij in elkaar hebben gestoken.

En het karakter van werk zelf krijgt in onze dagen steeds meer de onnatuurlijkheid van de trading room. Het overspannen druk gedoe van dealers, liefst alles tegelijk, links, rechts, voor en achter; beslissen per seconde, altijd ergens iets doen, nooit iets laten; de daadkracht van een reus, de reikwijdte van een dwerg: in zo weinig mogelijk tijd zoveel mogelijk gewin. Trots op de hoogst mogelijke arbeidsproductiviteit. Werken als een sprint, met veel niets, dat we vrije tijd zijn gaan noemen, ervóór en erna. Het lijken me geheel uit de bocht gevlogen ideeën.

Werken is slavernij, denken we. Dat is het op nihilistische grondslag gegroeide misverstand. Het is weliswaar nu bevrijd, bekort en veraangenaamd, maar in de wortels is werk slavenwerk. Daarom is het afzien en is het nodig er op dag- en jaarbasis tijdelijk van verlost te worden. Dat is ons moderne valse bewustzijn. In werkelijkheid gaan de wortels van ons werken terug op vrije tijd, op weloverwogen luiheid en op heel weinig echt doen. Het zijn niet de bezigheden van slaven, die we voortzetten, maar die van vorsten, prinsen, regenten en heren, kortom van de leisure class.

In economieën als de onze, waarin weinig meer gemaakt wordt en veel bedacht, is het merendeel van het werk achterover zitten, een nacht over slapen, er bij stil staan, opladen, hernemen, buiten gebaande paden treden, nieuw gebied ontdekken. Werken hoort sprekend op vrije tijd te lijken. Het onderscheid is uit den boze. Als werken een onnatuurlijk, geïsoleerd verschijnsel in onze maatschappij zou worden, zijn we echt in de aap gelogeerd. Alleen een gezonde dosis luiheid in het werk kan dat tegengaan.

Er is dus behoefte aan politici die zich niet als lopende-bandwerkers gedragen, maar aan de Italiaanse meren eens echt nadenken over waar het met Nederland naar toe moet. Of aan professoren die niet de tijd van negen tot vijf in de gaten houden. Of aan journalisten die wel eens meer dan een week voor een behoorlijk stuk in hun dagblad kunnen nemen. Of aan bestuurders die niet van beleidsnota tot beleidsnota en van bestuursdaad naar bestuursdaad hollen. En ook aan ondernemers die gewoon met hun hobby bezig zijn, de onderneming, in plaats van met de beurs en met wat men tegenwoordig denkt dat aandeelhouders willen.

Vrije tijd is een te filosofisch concept om veel praktisch dagelijks nut te hebben. Laten we het maar bij werken houden. Maar dan wel werk, dat er uitziet als vrije tijd en niet van dat zenuwachtige, bezwete gedoe, dat je ook wel in vakanties meemaakt. Zelf vind ik het als universiteitsbestuurder heel prettig om rustig weg te dromen, terwijl je van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat gewoon slaaf van je agenda bent.