Vierde bundel van Harmen Wind; Tussen overgave en onthechting

Harmen Wind: Plaatselijke tijd. De Arbeiderspers. 64 blz. ƒ 29,90

Zo begint een gedicht: 'Kunst is een leugen.' En zo begint een ander: 'Dit is de kunst: het leven te stileren.' De titel van de afdeling waarin beide gedichten zijn opgenomen luidt: 'Illusies'. Te vinden in Plaatselijke tijd, de nieuwe, vierde bundel van Harmen Wind.

'Kunst is een leugen' zegt Wind naar aanleiding van een beeld van een kouros. Dat is om te beginnen van zichzelf al leugenachtig, zoals trouwens alle beelden: niet meer dan een nabootsing van het leven. In zijn gedicht over deze anonieme jongeling kan hij vrijelijk fantaseren over diens bezigheden ooit, vroeger, in een ver Griekenland. Moest hij een kuise tempeldienaar verbeelden, zoals men van wel meer kouroi aanneemt? Of is zijn vroomheid maar schijn en werd hij als het ware betrapt, en in marmer bewaard, op een moment dat hij heel iets anders van plan was, bijvoorbeeld vlak voordat hij 'buiten beeld' met twee Kretenzische soldaten naar bed zou gaan? In zekere zin is dus ook Winds eigen kunst weer een leugen.

Maar het gaat nog verder. Uit een voetnoot blijkt dat hij zijn gedicht schreef naar aanleiding van de Getty-kouros wiens authenticiteit betwijfeld werd: hij zou 25 eeuwen oud kunnen zijn, maar msschien is hij ook wel van recente makelij. In het laatste geval is de kunstmatigheid en leugenachtigheid compleet: dan lezen we hier een verzonnen gedicht over een imitatie van een nabootsing van het leven.

Dit zou de indruk kunnen wekken dat Harmen Wind een dichter is die zich meer dan gemiddeld bewust is van de kunstmatigheid van kunst, inclusief zijn eigen dichterlijke kunst. Dat is ook zo, maar verrassend genoeg komt dit besef niet voort uit een modernistisch wantrouwen tegen anekdotiek en realisme of uit een decadent omarmen van kunst om de kunst.

Bij Wind is de leugenachtigheid van de poëzie om zo te zeggen psychologisch verankerd, met een duidelijk omschreven therapeutisch doel. Aan het slot van die eerste illusie-afdeling staat een gedicht dat het onomwonden zegt: dichten is voor hem een 'remedie', en wel tegen de angst, de wanhoop, de stuipen, de razernij en de ondergang. De gedachte dat kunst een leugen is, krijgt hier een vriendelijke tegenhanger in de formule:

Kunst zet het leven naar zijn hand, brengt het terug tot dunne lijnen die zich, tegen verval bestand, tot het verstilde beeld verfijnen van windfiguren in wit zand waarin ik veilig kan verdwijnen. Windfiguren in wit zand: dat is een mooi beeld voor poëzie, gelet ook op de achternaam van de dichter. Toch zijn Winds gedichten niet altijd van die natuurlijk gevormde windfiguren zoals hij wel zou willen. Het gedicht 'Remedie' is zelf al een voorbeeld van het tegendeel: theoretisch van inhoud ('poëticaal') en strak van vorm (een keurig sonnet).

Het wijst op een tweespalt die zich in deze bundel wel vaker aandient. In een gedicht met de veelzeggende titel 'Opgave' somt Wind in één lange, hier en daar hortende zin zijn zelf gestelde dichterlijke opdrachten op. Van 'hoe het te zeggen, wat schuilgaat achter het zichtbare, valt buiten het weten, zich onttrekt aan het overgeleverde' tot en met: 'hoe de oude radeloosheid zo te benoemen (...) dat angst een span paarden wordt.' Maar opnieuw gaat deze existentiële noodzaak vergezeld van een minstens zo groot verlangen naar onthechting en zelfs zwijgen: 'hoe de dingen met zichzelf alleen te laten, zuiver in wat ze zijn, raakbare onaantastbaarheid.'

Daarmee zijn zo ongeveer de grenzen aangegeven waarbinnen Wind zich in deze bundel beweegt: tussen strak sonnet en de vrije opsomming, tussen poëzie uit angst en poëzie uit overgave. Op veel plaatsen blijkt zijn neiging tot structureren, maar hij geeft er ook weer niet al te zeer aan toe. Vier afdelingen telt de bundel, van elk tien gedichten (waarvan steeds één dubbelgedicht), met de thematisch bedoelde titels 'Illusies', 'Momenten', 'Locaties' en 'Restanten', maar die indeling relativeert hij zelf al door bijvoorbeeld het gedicht 'Locatie' nu juist in de afdeling 'Restanten' op te nemen. Zijn onderwerpen zijn van alle tijden en zijn poëzie heeft meestal een duidelijke anekdotische aanleiding, maar ook daarmee is weinig gezegd. Zijn gedichten zijn vaak op een subtiele manier dubbelzinnig of weerbarstig of verrassend - dat maakt zijn poëzie bijzonderder dan zij van een afstandje lijkt.

Weemoed ligt bij Wind voortdurend op de loer, maar hij wordt nergens nostalgisch. Een quasi idyllisch wintertafereel, met de kleine Harmen op de schaats in Friesland, wordt ruw afgebroken door te wijzen op de snijdende kou en de pijn en de 'rotganzen, leuterend over hem heen.' Sentiment wordt bestreden met wrange humor. Bij het sterfbed van een oude vrouw die niet meer op haar bezoek reageren kan: 'Voortdurend groeten wij haar om een glimlach, een knik.' En het overal aanwezige verlangen naar een stil en veilig, uit de tijd getild domein wordt zacht tegengewerkt door de wetenschap dat zulk onthecht leven geen werkelijk leven is. 'Wij zitten in de kamer stil voorbij te gaan' heet het in een van de mooiste gedichten uit de bundel. Het geeft een portret van een man en een vrouw, voor altijd samen, in een huis met deuren en ramen open, starend naar wind en weer. Er zit iets idyllisch aan dit tafereel, en aan de rustig kabbelende, keurig rijmende regels waarmee het beschreven wordt. Maar tegelijk wordt de idylle ondermijnd door de dichter die stilletjes wijst op de 'onderling gedeelde eenzaamheden', op het huis als 'dit aan de grond gelopen geloof in plaatselijke eeuwigheid' en op de toekomst, als wij 'alleen nog zullen wonen in verhalen, waarin wij weerloos en verzonnen zijn.'

De titel laat aan duidelijkheid niets te wensen over, maar bevat toch ook weer subtiele humor. Het gedicht heet niet 'Hodie mihi, cras tibi', zoals de Latijnse spreuk eigenlijk luidt, maar 'Hodie tibi, cras mihi': niet 'Heden ik, morgen gij', maar 'Heden gij, morgen ik'. Dat scheelt toch mooi weer een dag extra met de deuren en de ramen open naar wind en weer te staren in de tijd.