Slachtoffer moet beter beschermd

Egypte, Oostende, Jeruzalem, Alkmaar. De rol van de media bij ongevallen en rampen staat de laatste tijd opnieuw ter discussie. Terecht. Sinds medische programma's het grote publiek vertrouwd hebben gemaakt met symptomen, ziekten en operatieve procedures, heeft het medisch bedrijf niet veel geheimen meer.

De witte, matglazen deuren, waarop in strenge letters 'Verboden Toegang', hebben hun afschrikwekkende functie verloren. Programma's als 'Vinger aan de Pols' en 'Chirurgenwerk' openden de deuren. Je kunt tegenwoordig bijna geen ziekenhuis meer binnen lopen of ergens op een gang of een kamer worden opnames gemaakt ten behoeve van een medisch programma of een documentaire.

Hoewel deze programma's in essentie een educatieve waarde hebben, is de inhoud ervan geleidelijk discutabel geworden. Er is een verschuiving opgetreden naar programma's die gericht zijn op actie, waarbij spectaculaire ingrepen of behandelingen, bijvoorbeeld op de Eerste Hulp, tot het eigenlijke onderwerp zijn geworden. Het educatieve aspect heeft daarbij plaats gemaakt voor sensatie.

Deze ontwikkeling roept vragen op, omdat hierbij twee aspecten in het geding zijn. Het eerste aspect is een ethische kwestie. Wat wil de verslaggever nu eigenlijk melden? Waarom wil hij dat? Hoe graag wil hij dat en wat heeft hij er voor over?

Uit diverse reacties blijkt onbegrip over de zin én de wijze van berichtgeving. Het moment en de wijze waarop slachtoffers geïnterviewd, gefotografeerd en gefilmd worden, roepen gevoelens van smakeloosheid en voyeurisme op. De vraag dringt zich op wat nog het verschil is tussen journalistieke verslaggeving en leedvermaak.

Commentaren in verschillende dagbladen wijzen op de eigen verantwoordelijkheid van de pers. Hoofdredacteuren van televisie-programma's stellen, dat zij zelf wel kunnen beoordelen wat geoorloofd is en wat niet, en dat zij daarbij 'strenge ethische regels' hanteren.

Alhoewel de Nederlandse Vereniging van Journalisten zich verzet, zou een gedragscode, zoals beoogd door minister Dijkstal van Binnenlandse Zaken, hier zeker zinvol zijn. De belangen in de vrije nieuwsgaring zijn te groot en de keuze tussen wat ethisch wel en niet geoorloofd is, resulteert voor het publiek in onbegrijpelijke, kwetsende beelden.

Het tweede aspect is dat van de privacy. Hoe beschermd zijn mensen eigenlijk nadat ze een ongeluk hebben gehad? Medewerkers in gezondheidszorginstellingen en in de extramurale gezondheidszorg zijn gebonden aan strenge richtlijnen ter bescherming van de privacy van de patiënt. Maar in het voortraject van die zorg is de patiënt nog steeds vogelvrij. De waarde van het verlenen van toestemming door ontredderde betrokkenen wordt door het recente ongeval met frituurvet in Alkmaar nog eens geadstrueerd.

Er bestaat op dit moment nauwelijks wettelijke regelgeving ter bescherming van 'de patiënt op straat'. Privacy-bescherming van slachtoffers van ongevallen en rampen is een taak van de overheid. Het juridisch kader, waarbinnen deze regelgeving tot stand komt, dient even uitgebreid en waterdicht te zijn, als de regelgeving die voor gezondheidszorgmedewerkers van kracht is.