Ry Cooder behoeder van de 'son'

Nu Cubaanse suiker niet meer voor Russische olie kan worden geruild, is het land van Fidel Castro op zoek naar andere bronnen van inkomsten. Muziek is er daar een van. Gitarist Ry Cooder ontmoette op het Caraïbische eiland de 77-jarige pianist Rubén González.

De Cuban All Stars zijn op tournee in Europa, zonder Rubén González maar met een ander fenomeen, de 70-jarige zanger Ibrahim Ferrer. Ze zijn op 22 aug. in de Melkweg in Amsterdam. De genoemde platen: Introducing Rubén González, World Circuit WCD 049; Cuban All Stars, A toda Cuba le gusta, World Circuit WCD 047; Buena Vista Social Club, World Circuit WCD 050.

AMSTERDAM, 15 AUG. Nog een geluk dat Rubén González die dag in 1996 zijn hoofd om de deur stak van de Egrem-studio's in de Cubaanse hoofdstad Havana, toen de Amerikaanse slide-gitarist Ry Cooder, altijd op zoek naar nieuwe muzikale impulsen, er vorig jaar opnamen maakte met een groep Cubaanse muzikanten van de oudere generatie. De 77-jarige González, een van de grote pianisten op Cuba uit de bloeiperiode van de son, voorloper van de huidige salsa, was altijd op zoek naar een piano, sinds zijn eigen instrument thuis nu alweer jaren geleden door de termieten was opgegeten en geld voor een nieuwe ontbrak. In de Egrem-studio's, zo had hij gehoord, was net een gloednieuwe vleugel binnengebracht.

Cooder huurde González als pianist in voor de twee albums die hij op Cuba produceerde: Buena Vista Social Club van een gelegenheidsorkest en A toda Cuba le gusta van de Cuban All Stars o.l.v Juan de Marcos González. Maar bovendien nam Cooder, in twee dagen, een soloalbum met Rubén González op dat ironisch 'Introducing: Rubén González' heet en waaraan je in het geheel niet kunt afhoren dat González aan artritis in zijn vingers lijdt. Wel allerlei andere dingen: dat de Cubaanse amusementsmuziek uit de jaren veertig en vijftig, waarvan González een exponent is, misschien veel dichter bij jazz stond dan bij folklore. Af en toe lijkt hij wel een Cubaanse Thelonius Monk, als je hem naar akkoorden hoort zoeken en hij tergend minutenlang het spelen van het thema uitstelt, zoals in Almendra. In ieder geval is het fascinerend om te horen dat er een tijd is geweest waarin, anders dan nu in de salsa, de pianist in een Latijns-Amerikaans dansorkest nog niet een heel nummer lang als een verlengde van de ritmesectie hetzelfde motiefje hoefde te spelen.

Voor de revolutie van 1958 was Cuba een waar laboratorium voor dansmuziek van allerlei aard - niet alleen hielden (en houden) de Cubanen zeer van dansen, maar er was ook een sterk ontwikkeld nachtleven, gericht op voornamelijk Amerikaanse bezoekers. Een van de muziekgenres was de son, sterk ritmische dansmuziek waarvan het ritmische patroon op stokjes, de zogenaamde clave, wordt aangegeven. Uit deze son heeft zich later, eerst in New York maar de laatste jaren ook in andere Latijns-Amerikaanse landen de salsa ontwikkeld.

Maar Cubaanse musici deden toen al lang niet meer mee in de melting pot van de Latijns-Amerikaanse muziek. Castro's revolutionairen vonden de dansmuziek van voor 1958 wat al te wuft voor de begeleiding van het scheppen van de nieuwe mens. Naarmate Cuba bovendien meer in de invloedssfeer van het Sovjet-communisme kwam en door de blokkade van het eiland sinds de jaren zestig reizen van en naar Cuba steeds moeilijker werd, raakten musici als González, die in de jaren veertig en vijftig regelmatig op tournee gingen, ook muzikaal steeds verder van de rest van de wereld geïsoleerd en in het buitenland vergeten.

Pas de laatste jaren is hierin zoetjesaan verandering gekomen. Nu Castro de economische steun van grote broer Sovjet-Unie moet ontberen en Cubaanse suiker niet meer voor Russische olie kan worden geruild, is Cuba wanhopig op zoek naar andere bronnen van inkomsten. Toerisme is daar één van, maar ook de muziek: een beetje platenhandel in Nederland staat vol met Cubaanse platen, van nieuwe groepen op Cuba soms, maar veelal ook voor een paar dollar aan een buitenlandse platenstudio verramsjte opnamen uit een of ander Cubaans geluidsarchief.

Het communisme heeft in veel landen als een soort ijskast voor sociale verschijnselen gefungeerd: in sommige landen komen lang vergeten nationale ideologieën plotseling als nieuw tevoorschijn, op Cuba lijkt het - als je naar de drie door Ry Cooder geproduceerde platen luistert - alsof de son, en ook andere genres als de danzón en de guaracha, nog springlevend zijn en er door het Cubaanse isolement in bijna veertig jaar niets veranderd is.

Maar niets is minder waar, zegt Rob van den Bosch, hoofdredacteur van Oye!Listen!, het Nederlandse maandblad voor latin-jazz en aanverwante muziek. Ook voor hedendaagse Cubanen is son iets uit het verleden. “Voor Cubanen zijn de leden van de Cuban All Stars gewoon oude mannen, de band heeft ook nog nooit op Cuba zelf opgetreden”. Maar merkwaardig genoeg, zegt Van den Bosch, is het niet de salsa die op Cuba de son verdreven heeft, terwijl die salsa in zijn ontwikkeling toch zoveel aan Cubaanse emigranten in de Verenigde Staten te danken heeft.

Op Cuba is de timba de nieuwe muziek, 'heel heftig en ritmisch' net als salsa. Maar timba, in Cuba's cultureel isolement ontstaan en nu ook voor de buitenwereld beschikbaar door middel van platen en rondtoerende groepen, slaat buiten Cuba niet zo heel erg aan, vertelt Van den Bosch, “misschien omdat die muziek ritmisch voor niet-Cubanen wat te moeilijk is om op te dansen. Son en salsa zijn voor ons soms ook al vrij moeilijk, maar bij timba is het soms heel moeilijk om te horen waar de clave zit”.

Nog groeien de bomen voor Cubaanse muzikanten niet tot in de hemel: de Verenigde Staten, 's werelds grootste markt voor Latijns-Amerikaanse muziek, blijven voor hen gesloten zolang Castro nog leeft, en afzet van platen en een visum voor een tournee in de VS onmogelijk zijn.

Ry Cooder, wiens slide-guitar in sommige nummers discreet op de achtergrond te horen is, heeft zich met deze drie platen een sympathiek behoeder van Cubaans cultuurgoed betoond. Maar of, wanneer Castro ooit verdwenen zal zijn en de Amerikaanse muziekindustrie intocht houdt in Cuba, er nog iets zal overblijven van de Cubaanse eigenheden, lijkt sterk de vraag.