Overtuigende 'Vijfde' in het Concertgebouw; Chailly maakt Mahler modern

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly. Programma: R. Strauss: Tod und Verklärung; G. Mahler: Vijfde symfonie. Gehoord: 14/8 Concertgebouw Amsterdam.

Na het Mahler Feest in mei 1995 was het Koninklijk Concertgebouworkest 'Mahlermoe'. In de vorige twee seizoenen klonken alleen de Rückertlieder tijdens een door John Eliot Gardiner geleid concert met Anne Sofie von Otter als soliste. Dit seizoen dirigeert Riccardo Chailly twee Mahlerstukken: de Vijfde symfonie en Totenfeier, de eerste versie van wat later het eerste deel werd van de Tweede symfonie.

Gisteravond hervatte het Concertgebouworkest de Amsterdamse Mahlertraditie met de Vijfde symfonie. Het stuk vormt het centrum van het komende seizoen met vele uitvoeringen in Amsterdam, waar een opname wordt gemaakt, en later op tournees naar Wenen, Jeruzalem, de Caraïbische eilanden en Amerika. In oktober komt een boek uit over de Vijfde, over het werk zelf en over de uitvoeringstraditie van de Vijfde bij het Concertgebouworkest. Mahler zelf dirigeerde het werk voor het eerst bij het orkest op 30 juni 1905 in Scheveningen. In maart 1896 leidde hij uitvoeringen in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Arnhem en Haarlem.

Met deze Vijfde bevindt Riccardo Chailly zich tijdens zijn Amsterdamse chef-dirigentschap, dat het negende seizoen ingaat, juist op de helft van het 'grote' Mahlerrepertoire. In de afgelopen jaren dirigeerde hij Das klagende Lied, de symfonieën 1, 6, 7, 8 en Das Lied von der Erde. Hierna resten nog de symfonieën 2, 3, 4, 9 en 10.

De eerste Amsterdamse Mahlers van Chailly wekten, na die van Haitink, nogal wat weerstand en bevreemding op, omdat hij zich daarin weinig emotioneel toonde. Met prachtige en perfecte uitvoeringen van Das klagende Lied, de Zevende en de Eerste leek Chailly later te zijn gekomen tot een verlichte vorm van de traditionele Amsterdamse Mahler.

Maar in deze Vijfde verrast Chailly weer door grote delen te laten spelen als ware het muziek uit de afgelopen decennia. Vooral de eerste drie delen behandelt hij als reusachtig opgerekte clusters (samenballingen van noten) die uitmonden in uitgestrekte klankvelden. Omdat het niet meer gaat om 'balans' en een scheiding tussen hoofd- en nevenstemmen, hebben de noten goeddeels hun onderlinge hiërarchie verloren.

Men hoort vooral de partituur zelf: talloze noten, die veelal weinig met elkaar te maken hebben. Melodieën lijken hier verdwaalde elementen, die in dit nauwelijks geordende muzieklandschap hun prominente positie hebben verloren. De expressie verloopt vaak van schril tot macaber, van de gillende trompet tot de grommende tuba.

Daarmee wordt de Vijfde gezien als een voorloper van de Negende symfonie en de Tiende symfonie, waarin tijdens de slotadagio's echte clusters hun intrede doen. Vooral in de finale van het Scherzo, hier klinkend met een ritmiek alsof het Le sacre du printemps is, blijkt het effect van deze speelwijze even vervreemdend als indrukwekkend. Het lijkt wel alsof andere dirigenten de Vijfde (1902) veelal zo mooi, zo lekker en zo esthetisch mogelijk hebben willen presenteren, het liefst als 'ouderwets', terwijl het stuk bij Chailly vooral het moderne experiment van toen is.

Het enige dat historiserend klinkt, als een dommelende herinnering aan het prettige verleden, is het Adagietto, beroemd sinds de film Death in Venice. De trend was het steeds langzamer te spelen, van zeven minuten (Mengelberg) tot meer dan een kwartier (Scherchen). Volgens Gilbert Kaplan, de amateur-dirigent en kenner van de Tweede symfonie, kreeg het daarmee ook een tragische uitstraling. Chailly doet er nu zo'n tien minuten over en het klinkt met pure tevreden sereniteit.

Chailly komt met deze Vijfde symfonie tot een hoogst opmerkelijke vernieuwing van de Amsterdamse Mahlertraditie, waarbij de componist opnieuw wordt gezien als een echte avantgardist, wiens muziek meer te maken heeft met de midden- en laat twintigste-eeuwse ontwikkelingen, dan met de laatromantiek van zijn eigen tijd. Ook in Bruckner demonstreerde Chailly eerder al een dergelijk streven.

Het Concertgebouworkest, dat bij zo'n principieel andere opvatting het stuk opnieuw in het hoofd moet krijgen, volgde Chailly onvoorwaardelijk in een overtuigende, briljant gespeelde uitvoering, vanaf de opening met de door Peter Masseurs onbevangen en perfect gespeelde trompetsolo tot en met het zeldzaam licht klinkende slotdeel Allegro.