Omvangrijke studie over Menno ter Braak; Vastgeprikt en opgehangen

Michel van Nieuwstadt: De verschrikkingen van het denken, over Menno ter Braak. Historische Uitgeverij, 378 blz. ƒ 65,-

Wie Menno ter Braak was is niet eenvoudig vast te stellen. Er was een man die literatuurkritieken schreef voor Het Vaderland, pianist te Eibergen, de man die met zijn vrouw de duiven voerde op het Piazza San Marco en de vriend van Du Perron, met wie hij zich ooit liet fotograferen als Nietzsche en diens volgeling Peter Gast. Die Ter Braak was ook de auteur van een stapeltje essays, verschenen tussen 1930 en 1937, waarvan de titels Carnaval der Burgers, Démasqué der Schoonheid, Politicus zonder partij en Van oude en nieuwe christenen de bekendste zijn. Maar wie nu denkt uit deze boeken een beeld van de persoon Ter Braak te kunnen destilleren, of een nauw omschreven idee van zijn gedachtengoed, komt van een koude kermis thuis. Ter Braak was geen oeuvrebouwer, zoals bijvoorbeeld Harry Mulisch dat is, geen schrijver die met zijn boeken aan een gebouw werkte dat steeds hoger in de hemel moest reiken. Ter Braak was meer een sloper.

In 1934, hij was toen 32, publiceerde Menno ter Braak Politicus zonder partij, het boek dat nog steeds als zijn magnum opus wordt beschouwd. Een opvallend persoonlijk boek was het, niet alleen door de toonzetting (voor het eerst durfde Ter Braak in een van zijn grote essays het woord 'ik' te gebruiken) maar vooral door de inhoud: Ter Braak schrijft onomwonden over zichzelf. Dat doet hij het nadrukkelijkst in het tweede hoofdstuk, dat toepasselijk 'Geschiedenis ener intelligentie' heet, en waarin Ter Braak terugkijkt op de ontwikkeling van zijn denken en schrijven tot dat moment. Dat doet hij prachtig - een erudieter, virtuozer en koketter essay zou er lang niet meer in Nederland geschreven worden - maar 'Geschiedenis ener intelligentie' is dan ook niet zomaar een terugblik. In het hoofdstuk doet Ter Braak een poging zijn oeuvre tot dan toe te herijken, in het bijzonder Carnaval der Burgers en Démasqué der schoonheid. Hij lijkt daarin wel wat op een schrijver die antwoord geeft op de klassieke interview-vraag 'wat hij nou eigenlijk met zijn boeken bedoeld heeft'; en duidelijk wordt dat de Ter Braak van 1934 heel anders tegen deze boeken aankeek dan de auteur die ze in respectievelijk 1931 en 1932 schreef. Als een glimlachende oude man kijkt hij terug op zijn jeugdzonden en corrigeert zichzelf, over de wijze bijvoorbeeld waarop hij zijn eigen meningen achter het woord 'wij' verhulde. Deze bijstellingen waren tevens het startschot voor een reeks van zelfcorrecties, waarmee Ter Braak de rest van zijn leven doorging, bijvoorbeeld door het Carnaval in een voorwoord bij de tweede druk een 'metaphysische brochure' te noemen - wat in de herfst van 1934 voor Ter Braak niet bepaald een positieve kwalificatie was.

Voor de beschouwers van Ter Braaks oeuvre hebben die bijstellingen altijd tot veel verwarring geleid. Welke Ter Braak was nu de echte, welke moest je geloven? De auteur die bijvoorbeeld in 1931 het Carnaval der Burgers schreef, de auteur die dat boek drie jaar later een 'verwerking van Carry van Bruggens Prometheus' noemde, of de auteur van de 'metafysische brochure'-regel? Vooral in de Ter Braak-studie zijn die verschuivingen een fors obstakel gebleken - weinigen hebben zich gewaagd aan een intellectuele Ter Braak-biografie. De enige die het na Ter Braaks dood heeft geprobeerd was de neerlandicus A. Borsboom, in wiens nalatenschap een intellectueel indrukwekkende, maar volstrekt onleesbare verhandeling werd aangetroffen waarin hij Ter Braak, Nietzsche, nihilisme en zo nog wat begrippen als bejaarde bizons het ravijn der onbegrijpelijkheid in liet buitelen. Daarna zijn er nog veel artikelen over Ter Braak verschenen, maar nooit een omvangrijke studie. Het leek erop dat de imponerend, onleesbare pil van Borsboom de meeste wetenschappers afschrok. Daarin is nu verandering gekomen met de dissertatie De verschrikkingen van het denken waarop neerlandicus Michel van Nieuwstadt promoveerde.

Om met het slechte nieuws te beginnen: Van Nieuwstadt schrijft nauwelijks beter dan Borsboom. Zijn proza stuitert en hobbelt en staat zo bol van de nodeloze uitweidingen dat je veel passages drie keer moet overlezen om ze te begrijpen. Daar staat tegenover dat Van Nieuwstadt, beter dan Borsboom, zijn beperkingen kent. Hij heeft niet de pretentie de totale Ter Braak te analyseren, maar neemt voor zijn studie twee aspecten van diens werk als uitgangspunt. Allereerst vraagt Van Nieuwstadt zich af waarom 'in het beeld van Ter Braak (-) de evidente betekenis van (-) Carnaval der Burgers schromelijk en bijna systematisch wordt veronachtzaamd', en verder 'welke omtrekken precies de gedaante van Nietzsche in het werk van Ter Braak heeft aangenomen'. Vooral de laatste is een goede vraag, want dat aspect is veel te lang blijven liggen. Dat geldt minder voor de eerste vraag, want daarop ligt het antwoord voor de hand: het Carnaval wordt zo weinig aangehaald omdat Ter Braak het boek hoogstpersoonlijk naar de periferie van zijn oeuvre relativeerde.

De schuld voor die veronachtzaamde Nietzsche-invloed legt Van Nieuwstadt bij H.A. Gomperts, die in zijn 'causerrieën-bundel' De schok der herkenning (1959) opmerkte dat Ter Braak Nietzsche verkeerd begrepen had en zich daarom nooit op de 'echte Nietzsche' heeft gebaseerd. In de beperkte Ter Braak-studie had die opmerking veel invloed, maar, zoals Van Nieuwstadt laat zien, ze is moeilijk staande te houden, al is het maar omdat het niet meevalt Nietzsches gedachtengoed eenduidig te omschrijven - waarin overigens weer een duidelijke overeenkomst ligt tussen Nietzsche en Ter Braak.

Wie vervolgens hoopt in De verschrikking van het denken een scherpe analyse van de relatie tussen Nietzsche en Ter Braak te vinden komt bedrogen uit. Van Nieuwstadt begint bij een brieffragment waaruit blijkt dat Ter Braak Nietzsche 'herondekte' toen hij in 1931 in de trein Jenseits von Gut und Böse begon te lezen. Voor Van Nieuwstadt is die opmerking de aanleiding de Nietzsche- en Ter Braak-citaten over elkaar heen te laten buitelen zonder ergens uit te komen. Zarathustra komt op de proppen, het Gesamtkunstwerk, 'interpretatie' en de 'historische onherhaalbaarheid', maar het belang van de Hegeliaanse dialectiek bijvoorbeeld, zowel voor Nietzsche als voor Ter Braak toch niet onbelangrijk, wordt niet genoemd. Daardoor onstaat de indruk dat Van Nieuwstadt volstrekt willekeurig aan het associëren is, met zijn eigen pre-occupaties (Roland Barthes, Walter Benjamin, Adorno) als uitgangspunt. Neem zijn Carnaval-analyse: daarin haalt hij onder anderen Heinrich Eduard Jacob, El Lissitzky, Oskar Schlemmer, Franz Werfel, Kurt Pinthus, Oswald Spengler, Iwan Goll, Georg Lukacs, Helmut Lethen en Helmut Plessner aan, maar Carry van Bruggen, door Ter Braak zelf als cruciaal beschouwd voor het ontstaan van dat boek, wordt afgedaan in een alineaatje.

Daarmee lijkt Van Nieuwstadt het zoveelste slachtoffer van wat je de 'Ter Braak-paradox' zou kunnen noemen. Als iets de kern van Ter Braaks oeuvre is, dan is dat één grote poging om aan 'de verstarring' te ontsnappen. Ter Braak wilde denken, wilde schrijven, maar wilde zichzelf in zijn woorden, zijn taal, zo min mogelijk vastleggen. Het besef dat de gedachte die hij vandaag op papier zou zetten morgen alweer herdacht en verworpen zou kunnen zijn, was bij hem altijd aanwezig. In dat licht past ook het voortdurend bijstellen van zijn eigen meningen. Niet voor niets is de rode draad van Politicus zonder Partij de poging om zich met de verstarring van de taal te verzoenen. Dat probleem was ook de aanleiding voor alle paradoxen waarmee Ter Braak bekend is geworden: in zijn teksten probeerde hij beweging en stilstand te verzoenen, het persoonlijke en het algemene.

De oplossingen die Ter Braak voor dit dilemma zocht, waren nogal krampachtig: een van zijn belangrijkste middelen tegen de verstarring was bijvoorbeeld het aanhalingsteken. Je zou Ter Braak met gemak een schrijver tussen aanhalingstekens kunnen noemen: door kernwoorden als 'humor', 'dichter' en 'intelligentie' tussen aanhalingstekens te zetten, hoopte hij ze een persoonlijke lading te geven en ze zo te onttrekken aan hun 'burgerlijke' betekenis. Zoals J.J. Overstegen het omschreef: '(Men kan) van een terbraakse versie van de dialektiek spreken, die voortvloeit uit zijn hantering van de taal en die hier op neer komt: ieder begrip wordt bijgeladen met zijn tegendeel, zodat de kern ervan opschuift naar een punt halverwege die twee.' Door het gebruik van die aanhalingstekens wilde Ter Braaks zijn taal 'persoonlijk' maken en schrijven voor goede lezers, mensen die hij als 'vrienden' beschouwde, de goede verstaanders, waarvan hij wist dat er maar weinig bestonden.

Het probleem is nu dat iedere wetenschappelijke beschouwer zichzelf als 'vriend' beschouwt, maar Ter Braaks beweging en taalgebruik meestal gemakshalve over het hoofd ziet. In de meeste studies, zowel in die van Borsboom als van Van Nieuwstadt, worden beide elementen wel opgemerkt, maar daarna snel weer weggemoffeld. Dat is vanuit het standpunt van een beschouwer als Van Nieuwstadt wel begrijpelijk, maar aan Ter Braaks poging tot ongrijpbaarheid doet hij geen recht. Ter Braak doet zo nog het meest denken aan een vlinder, bij leven lustig rondfladderend, nu vastgeprikt en opgehangen in het leslokaal van de literatuurgeschiedenis.

Bovendien heeft Ter Braaks verhouding tot de taal en zijn poging te schrijven 'voor vrienden' van zijn oeuvre een soort bijbel gemaakt, waaruit de exegeten vrijelijk zijn gaan putten. In De verschrikkingen van het denken sleept Van Nieuwstadt er zelfs zoveel bij dat Ter Braak zelf regelmatig buiten beeld verdwijnt. De pagina-lange uitweidingen over de jurist en theoloog Florens Christian Rang bijvoorbeeld blijven in het luchtledige hangen, net als Van Nieuwstadts pogingen het vroege werk van Ter Braak bij het expressionisme in te delen. Daarin slaagt hij zowaar redelijk, maar wat we vervolgens met Ter Braak-de-expressionist opschieten blijft mij een raadsel.

De verschrikkingen van het denken doet uiteindelijk nog het meeste denken aan een intellectueel schot hagel: af en toe maakt Van Nieuwstadt een interessante opmerking, het merendeel is te afgeleid en niet ter zaken doende. Voor zijn eigen eruditie heeft Van Nieuwstadt een indrukwekkend monument opgericht, over Menno ter Braak zijn we weinig wijzer geworden.