Namen

Ik droomde altijd van een romantische voornaam, liefst een Ierse naam, Niamh of Fionnuala: wat zou mijn leven anders zijn als ik Fionnuala heette. Ik oefende mijn nieuwe handtekening: Fionnuala Hart. Nee, er was iets mis. Fionnuala O'Hart klonk wat beter, maar dat was ook iemand anders. Ik had eens gelezen dat de grootste detectives allemaal namen hebben met twee lettergrepen in hun voornaam en een lettergreep in hun achternaam: Sherlock Holmes, Sexton Blake, Nero Wolfe, noem maar op. Fionnuala O'Hart paste er niet zo goed bij.

Een schoolvriendin van mij heette Lorely, de enige Lorely die ik heb gekend. Als je het een beetje slordig schreef werd het Lovely, en dan heette ze Lovely Wells, Lieftallige Bronnen. En dan was er iemand die zichzelf Dnilasor Sdoow noemde, de mooiste achterstevorennaam van de hele school. Een ander meisje heette van haar achternaam Probyn; haar eerste dag op school werd zij meteen herdoopt als P.J., naar een popzanger, P.J. Proby. Ze protesteerde hevig maar er was niets aan te doen, die zanger werd vergeten maar ze bleef P.J.

Zelf namen verzinnen was het moeilijkst, bijvoorbeeld van een geheime club. Hele vergaderingen in de tuinschuur waren gewijd aan het vinden van een naam; aan echte acties kwamen we niet vaak toe. Uit boeken had ik begrepen dat als je een verhaal schreef met vier kinderen je er drie moest hebben met gewone namen en een met een rare: één meisje dat George heette bijvoorbeeld, of iets geks, zoals Titty. Daar kwam dus ook niet veel van.

Wat ik ook niet had kunnen verzinnen is dat op mijn school, toen ik er bijna vanaf was, een meisje kwam met mijn naam, mijn naam. Ze was piepklein en week geschrokken terug als je iets tegen haar zei. Maar dat deed ik natuurlijk niet, ik deed alsof ze niet bestond.