Klimaat en Poëzie

(*) J.A.Dèr Mouw, Volledig Dichtwerk, verschenen bij Uitgeverij G.A.van Oorschot, Amsterdam 1986)

'In de week van maandag vier tot en met zondag 10 augustus is door slechts 19 procent van de Nederlanders televisie gekeken. Dit is een laagterecord. Deskundigen vermoeden dat dit verband houdt met het mooie weer van de laatste dagen,' zei de radionieuwslezer op maandag 11 augustus om acht uur 's ochtends. Zo, denk je. De deskundigen hebben deze keer geen gras over hun vermoeden laten groeien.

Later op de dag en in de loop van de week ga je er de implicaties van beseffen. Want vanzelfsprekend: zoals je kunt vermoeden dat er verband is tussen het mooie weer en het televisie kijken, de metingen van de deskundigen en het radionieuws, zo kun je ook de omvattender hypothese stellen: dat er een significante correlatie is tussen kunst en klimaat. Hoe komt het dat zoveel Nederlandse schilders beroemd zijn door hun wolkenluchten? Doordat we hier de unieke combinatie van cumulus en wijde horizon hebben. De wijdheid van de horizon houdt weer verband met de drassigheid van de bodem die hoogbouw verhinderde. Objectief beschouwd werden de Nederlandse schilders, zeker in de tijd van Ruysdael gedwongen tot het schilderen van wolkenluchten. Het zou een wonder zijn geweest als in de Gouden Eeuw een van onze kunstenaars met een woestijngezicht voor de dag was gekomen. Dat zou in ieder geval de deskundigen op het verkeerde been hebben gezet.

Hoe staat het met de literatuur? Een ontmoeting tussen hondsdagen en poëzie vinden we in het oeuvre van E. Laurillard (1830-1906), predikant, dichter en pamflettist tegen de doodstraf. (Terzijde: bij de redactie van de zevende geheel nieuwe druk van onze Grote Winkler Prins is hij in ongenade gevallen en daarna niet meer in ere hersteld.) Zijn zomergedicht over een traject in de diligence heeft nog lang voortgeleefd, in het onderwijs, dankzij zijn beheersing van de jambe. Het begint zo:

In een diligence zaten negen mens chen bijelkaar, 't Was een dag van groote hette en de lucht was drukkend zwaar. Dan volgt een naturalistische beschrijving van het puffen, zuchten, zeuren, klagen en opscheppen ('ik heb het nog erger meegemaakt') dat we de afgelopen week hebben gehoord. Je zou dit Vers, dat als een nachtkaars uit gaat kunnen afdrukken als bewijs voor een andere stelling: dat het Nederlandse volk minder is veranderd dan het volk denkt. De Hollandse hittegolf stijgt op uit het papier. Als er nu weer eens een hittegolf is, denk ik aan Laurillard. Ik zou hem de eer wilen bewijzen die hem door de Grote WP is ontnomen. Maar ik wil van een ander gedicht zoveel mogelijk overschrijven, Zomer, van Johan Andreas Dèr Mouw (*):

't Aardoppervlak zie 'k als een schedelhuid, Zweetstralen sijpelen stinkende rivieren, waarlangs vuil-groenig roos en schimmel tieren; gebergten schurft steken erboven uit; mens-luizen, in hun nesten meest op buit rondkrauwelend, zie 'k landlijke blijdschap vieren, verpletterd soms, als 't treken van wat spieren de rotsen storten doet, schurftkluit na kluit. De hemel lijkt een broeierige pet, aan gele knoop, die doorschijnt, in vervoering om 't mooie weer jolig scheef opgezet; en smullend van de zweetdamp, loom en ver en week en wit hangen in stille ontroering de wolkenteken aan de blauwe voering. Dan breekt het onweer los: 'wind bezemt en ragebolt met macht van water de luizen weg' en (ik vat het samen), 'de luizen vluchten naar hun stedenesten: ze hebben meen'ge zaterdag doorstaan, en laten zich door 't nat lawaai niet pesten.' De wind is moe, de donder is verdwenen, achter de horizon bliksemt het nog wat.

Daar krauwlen uit de schurft luizen en maaien: ze zien verbleken de onschaadlijke dweil, en machtloos verre tanden groenig laaien: lovend hun luizengod in luizenstijl, gaan dankbaar ze naar bed, en vroom en geil kruipen ze zwetend op elkaar en n..... . Ook de vijf puntjes zijn van de dichter.