Jawaharlal Nehru (1889-1964); Een socialist die mevrouw-de-onderkoning beminde

Stanley Wolpert: Nehru. A tryst with destiny. Oxford University Press, 546 blz. ƒ 98,-

Jawaharlal Nehru, de motor van de Indiase onafhankelijkheidsbeweging en bijna zeventien jaar lang premier na het vertrek van de Britse koloniale heersers, is al lang geleden heilig verklaard in India. Ontelbare parken, straten en scholen zijn naar hem vernoemd en regelmatig verschijnen er nieuwe biografieën over hem, vrijwel zonder uitzondering met een hoog hagiografisch gehalte.

Wie schetst dan ook de verwarring in India toen de Amerikaanse India-kenner Stanley Wolpert een eigen versie van het leven van Nehru publiceerde waarin hij opperde dat de grote staatsman in zijn jeugd in India en op de vermaarde Britse kostschool Harrow homoseksuele ervaringen had opgedaan. Het leidde onmiddellijk tot een storm van protesten in het nog altijd zeer Victoriaanse India. Niet zozeer omdat Wolperts bewijzen nogal dunnetjes waren, maar vooral omdat hiermee in Indiase ogen een smet op Nehru's naam werd geworpen. Het dagblad The Pioneer sprak in een commentaar onomwonden van 'heiligschennis'.

Wolpert op zijn beurt toonde zich in een ingezonden brief verongelijkt over deze buitenproportionele aandacht voor Nehru's vermeende homoseksuele neigingen, die in het boek niet meer dan enkele alinea's in beslag nemen.

Inderdaad speelde dit, al dan niet bestaande, homoseksuele zijpaadje een ondergeschikte rol in het leven van Jawaharlal Nehru (1889-1964) dat voor elke biograaf een schatkamer aan hoogte- en dieptepunten bevat, zowel in politiek als in persoonlijk opzicht. Afgezien wellicht van Mahatma Gandhi heeft geen Indiër een krachtiger stempel op het India van de twintigste eeuw gedrukt dan Nehru. Zelfs na zijn dood bleef hij nog meetellen, omdat zijn dochter Indira en kleinzoon Rajiv zich door hem bleven laten inspireren toen zijzelf eenmaal aan de macht waren.

Nehru werd met een zilveren lepel in de mond geboren. Hij hoorde tot de hoogste kaste, de Brahmanen. Zijn vader was een schatrijke advocaat in de stad Allahabad, die bovendien over voortreffelijke politieke connecties beschikte. Toen de jonge Nehru na zijn studie op Harrow en Trinity College in Cambridge belangstelling toonde voor de politiek, lag zijn bedje dan ook gespreid. Zijn vader introduceerde hem bij alle leidende figuren van de Congrespartij, toen al de belangrijkste vertegenwoordiger van het opkomende Indiase nationalisme. De jonge Nehru kwam zo in contact met Mahatma Gandhi, die al snel waardering kreeg voor het scherpe intellect en de bevlogenheid van de jongeman uit Allahabad. In feite groeide Gandhi uit tot een tweede vader voor Nehru, te meer omdat hij zijn biologische vader, ondanks diens materiële steun, nooit vergaf dat deze hem een huwelijk had opgedrongen met een meisje om wie hij niets gaf. Overtuigend betoogt Wolpert dat Nehru's steriele huwelijksleven een extra prikkel voor hem vormde zich nog hartstochtelijker op de politiek en meer in het bijzonder de strijd voor onafhankelijkheid te storten.

Het was een romantische tijd, waarin Nehru zijn hang naar heroïek volledig kon bevredigen. Gepassioneerde toespraken tot enorme mensenmassa's en protestmarsen werden afgewisseld met arrestaties, processen voor de rechtbank, en (soms jarenlange) verblijven in de gevangenis. Ook Nehru's zusters en zelfs zijn vader en moeder raakten hierbij nauw betrokken, al was de glansrol meestal weggelegd voor Nehru zelf. 'Ik sidderde van opwinding', noteerde Nehru in zijn dagboek bij het nieuws van de arrestatie van zijn moeder in 1932. Ook de oude dame zelf was apetrots op de stokslagen die ze van de politie tijdens een demonstratie had opgelopen.

Vergeleken bij de terreur die gaandeweg op het Europese continent gewoon werd, hielden de Britten het betrekkelijk netjes in India. Ondanks zijn vurige campagnes voor onafhankelijkheid, legde Londen Nehru geen strobreed in de weg om, zolang hij althans niet in de gevangenis zat, Engeland te bezoeken. Zelfs een Nehru Reception Committee was toegestaan. Anders dan Gandhi voelde Nehru zich daar onder de Britse elite altijd als een vis in het water, zij het met een voorkeur voor linkse kringen en een blinde vlek voor de stalinistische Sovjet-Unie.

In tegenstelling tot Gandhi, eigenlijk een man van de eeuwenoude Indiase dorpscultuur, was Nehru een twintigste eeuwse kosmopoliet. Waar de diep religieuze Gandhi vervuld was van het hindoeïsme, was Nehru een seculiere sociaal-democraat. Als student omschreef hij zichzelf eens als een 'raar mengsel van Oost en West'. Nog aan het eind van de jaren dertig vertrouwde hij een vriend toe: 'Ik heb altijd het gevoel dat ik nuttiger kan zijn voor India buiten India. Het gevoel dat ik hier niet helemaal op de juiste plaats ben achtervolgt me en deprimeert me.'

Door de jaren heen verloor zijn relatie met Gandhi aan warmte. Als het erop aankwam zaten beiden op een andere golflengte. Nehru had weinig begrip voor de hongerstakingen van Gandhi en voor diens verhandelingen over het belang van buffelmelk. Evenmin voelde hij zich erg op zijn gemak tussen de arme boeren op het platteland. Hij zat liever in de stad. Ook politiek gezien groeide de kloof. Gandhi verzette zich tot het bittere einde tegen de deling van India en was zelfs bereid de leider van de moslim-minderheid, Mohammed Ali Jinnah die een eigen Pakistan voor de moslims nastreefde, het premierschap over het onafhankelijke India te gunnen. Maar Nehru, die zelf op die post uit was en een diepe afkeer van Jinnah had, wilde daarin niet toestemmen en was bereid dan in vredesnaam maar een deling te aanvaarden. Gandhi wilde bovendien tot iedere prijs aan geweldloosheid vasthouden. Nehru meende dat een nobel doel soms de middelen heiligde.

Merkwaardig kort is Wolpert over de chaotische en hoogst dramatische maanden in 1947, toen onder leiding van de laatste onderkoning Lord Louis Mountbatten de deling van het Brits-Indische Rijk werd beklonken. Terwijl vele honderdduizenden moslims, hindoes en sikhs werden afgeslacht omdat ze in het 'verkeerde' land waren terechtgekomen, vernemen we haast niets over de begindagen van Nehru's lang gewenste premierschap. Ook over de bijna zeventien jaar daarna is Wolpert summier, toen Nehru met zijn nogal autocratische binnenlandse beleid een diep stempel op het land drukte. Hij voerde de planeconomie in en had een bijna onvoorwaardelijk geloof in de weldadigheid van staatsinvloed. Nog altijd plukt India de wrange vruchten van deze erfenis en juist hierom staat de jonge generatie dikwijls heel kritisch tegenover deze vader des vaderlands.

Wel besteedt de auteur veel aandacht aan een interessant aspect uit het persoonlijke leven van Nehru: zijn relatie met Edwina Mountbatten, de vrouw van de laatste Britse onderkoning. Die relatie bleef bestaan tot Edwina's dood in 1960. Tijdens reizen naar Europa verbleef Nehru, zelf al sinds 1936 weduwnaar, steevast op Edwina's landgoed Broadlands. De gewezen onderkoning trok zich dan discreet terug. Bovendien kwam Edwina regelmatig alleen naar India en bleef weken achtereen bij Nehru thuis. Sonia Gandhi, de weduwe van de vermoorde premier Rajiv Gandhi die de regie over de nagedachtenis van haar man en diens familie zoveel mogelijk in eigen hand houdt, weigerde Wolpert inzage te geven in de briefwisseling tussen beiden. Maar de auteur laat er op grond van de getuigenissen van derden weinig misverstand over bestaan dat beiden een innige liefdesverhouding hadden.

Merkwaardig genoeg heeft dit gegeven tot veel minder opwinding geleid dan de kwestie van Nehru's jeugdige homoseksuele neigingen. Het lijkt er op alsof de Indiërs een beetje trots zijn dat hun Panditji, zoals Nehru liefkozend werd genoemd, zo'n gehuwde, aristocratische Britse dame wist te verleiden. Men kan er de ultieme wraak van een Indiase nationalist in zien maar evenzeer het bewijs hoezeer Nehru zich tot het Westen voelde aangetrokken.

Maar voor het overige verzuimt Wolpert om de figuur Nehru in perspectief te plaatsen. Ging achter alle verheven toespraken en vaak nogal geëxalteerde brieven, waaruit Wolpert kwistig citeert, in werkelijkheid een machtsbeluste man schuil? Was hij onzeker van zichzelf? Hoe werkte hij? Hoe ging hij met de mensen in zijn directe omgeving om? Hoe zagen zijn tijdgenoten hem? Wolpert geeft nauwelijks een antwoord.