India als schrijversdilemma; Geen knal, maar een miljoen zuchten

India viert dit weekeinde vijftig jaar onafhankelijkheid. Het land spreekt nog steeds tot de literaire verbeelding, alleen: tot welke? V.S. Naipaul schetste een inktzwarte toekomst voor 'moeder India', maar zag later hoop gloren in een miljoen muiterijen. Salman Rushdie was altijd wars van zwartkijkerij, maar verwacht nu een apocalyptische ontknoping. Een literaire confrontatie.

Het komt nooit meer goed tussen Rushdie en Naipaul. Het begon in 1981, toen V.S. Naipaul zijn boek Among the Believers over de Islam publiceerde en Salman Rushdies grote roman Midnight's Children over hindoeistisch India uitkwam. Daar stonden ze, twee Engelse schrijvers van Indiase afkomst, Naipaul als hindoe grootgebracht op Trinidad en Rushdie als moslim geboren in Bombay; beiden geëerd met de Booker Prize, beiden berucht om hun felle openbare optredens, beiden geliefd bij een wereldpubliek, maar stilistisch en politiek elkaars tegenpolen.

Misschien had Naipaul meer respect verwacht van de vijftien jaar jongere Rushdie. Naipaul had immers baanbrekend werk verricht door over Aziaten te schrijven voor westerse lezers. Zijn grootste werk, A House For Mr. Biswas (1961) was daarom zelfs door een uitgever geweigerd, omdat die vond dat blanken er nog niet aan toe waren te lezen over niet-blanken. Naipaul hield vol en creëerde langzaam een steeds grotere lezerskring, waar eerst Rushdie en later een stoet van Indiase schrijvers gebruik van maakten.

Maar Rushdie toonde geen respect. Over Among the Believers zei hij dat Naipaul alleen zijn 'olympische walging' had willen demonstreren en bewust op zoek was gegaan naar extremistische Iraniërs, om zo het spookbeeld van oprukkend fundamentalisme op te roepen. De slachtoffers van de net gevallen Sjah van Iran zou hij hebben genegeerd, waardoor zijn verslag van de toestand in de moslimwereld vals en vertekend was.

Zoiets moet je natuurlijk nooit zeggen over Naipaul. Om minder word je door deze meester van hoon en spot verguisd en verpletterd, dus hield iedereen de adem in. Maar Naipaul zweeg. Er kwam geen weerwoord en geen tegenaanval, alsof hij wist dat dezelfde Rushdie een paar jaar later ten prooi zou vallen aan het 'spookbeeld' van Naipaul. En toen Khomeiny de fatwah over Rushdie had uitgesproken wegens de blasfemie in The Satanic Verses, zei Naipaul achteloos: 'Hij wilde toch zo graag beroemd worden? Nu is hij dat.'

Eigenlijk vindt Naipaul de hele vergelijking tussen hem en Rushdie beledigend. Als hij er expliciet naar wordt gevraagd, begint hij in het algemeen over 'modieuze kosmopolieten' die van het ene politieke standpunt naar het andere hobbelen en de verre werkelijkheid alleen maar gebruiken voor hun eigen autobiografische grootspraak. De naam Rushdie krijgt Naipaul niet over zijn lippen, terwijl Rushdie op zijn beurt geen gelegenheid voorbij laat gaan om uit te leggen hoezeer Naipaul de plank misslaat. Zijn commentaar op Naipauls visie op India, zoals weergegeven in het reisverslag A million mutinies now (1990), heeft Rushdie zelfs opgenomen in zijn jongste roman, De laatste zucht van de moor (1995). In een passage over de waanzin van de hindoefanatici die de Babri-moskee in Ayodhya verwoestten en vervolgens vele duizenden moslims afranselden en vermoordden, zegt de verteller plompverloren: 'Maar dat zou Sir V. Naipaul goedkeurend hun 'bewustwording van de geschiedenis' noemen.'

Ik zei het al: de heren liggen elkaar niet, waarschijnlijk ook omdat ze tot elkaar zijn veroordeeld. Ze schrijven over dezelfde onderwerpen, waarin India een belangrijke plaats inneemt, voor min of meer hetzelfde publiek, waar Indiërs in India een steeds groter deel van uitmaken. In India bestaan er zelfs twee kampen, de 'Naipaulians' en de 'Rushdie-ites' en hun visie op de toekomst van dat immense land is, hoe kan het anders, diametraal tegenovergesteld.

Het zou heel goed kunnen dat Rushdie zich al vanaf het begin gekwetst voelde door de manier waarop Naipaul over zijn geboorteland schreef. Hij was zeventien toen An Area of Darkness in 1964 verscheen en wat daarin stond schokte iedereen die India associeerde met spiritualiteit, geweldloosheid en reinheid. Reinheid? 'Indiers ontlasten zich overal', noteert Naipaul, 'het is een sociale acitiviteit, ze hurken vlak bij elkaar, ze babbelen. Ze ontlasten zich het meest langs de spoorlijnen. Maar ze ontlasten zich ook op de stranden; ze ontlasten zich op de heuvels; ze ontlasten zich op de oevers van rivieren; ze ontlasten zich op straat; ze zoeken nooit een beschutte plek. (..) En ze ontkennen dat ze zich in het openbaar ontlasten. Indiërs zien die hurkende gestalten niet, het is een collectieve blindheid die voortkomt uit de Indiase overtuiging dat ze het schoonste volk ter wereld zijn.'

Tijdens de beruchte 'noodtoestand' die Indira Gandhi in de jaren zeventig had afgekondigd bracht Naipaul een tweede bezoek aan het land en zijn oordeel in India, a wounded civilization (1977) was nog vernietigender: India is de meest wrede en gewelddadige maatschappij ter wereld. De crisis is niet politiek of economisch, maar moreel. Een kwart van de bevolking leeft in slavernij, als onaanraakbaren worden ze uitgebuit en mishandeld, hun waterputten worden door de hogere kasten verontreinigd, hun kinderen doodgeschopt, hun vrouwen verkracht. En ook nu ziet niemand het. De ergste excessen komen als kleine berichtjes in de krant, maar geen journalist die de achtergronden natrekt en geen schrijver die de samenleving aanklaagt. Moderne romans, zegt Naipaul, zijn in India nauwelijks mogelijk, omdat men niet gewend is ervaringen op te doen en ze te ordenen. In plaats daarvan gaat men bidden en mediteren, met de ogen gesloten. Indiërs, stelt Naipaul met weemoed vast, Indiërs zijn struisvogels.

Salman Rushdie nam de handschoen op en werkte aan de eerste moderne Indiase roman die experimenteel en allegorisch moest zijn, melodramatisch en ironisch, magisch en hysterisch, komisch en sardonisch, filmisch en karikaturaal en vooral alles omvattend, vanaf de eerste schermutselingen om de onafhankelijkheid tot de afscheiding van Pakistan, de oorlog met China en de bevrijding van Bangladesh. Alle vernederingen en triomfen, alle blunders en kwaadaardigheden van deze eeuw, met als hoogtepunt de noodtoestand van 'de weduwe', zoals Rushdie Indira Gandhi steevast noemt, zouden een plaats krijgen in de onstuitbare woordenstroom die Midnight's Children zou gaan heten.

Maar Rushdie's oordeel over de noodtoestand is niet erg verschillend van dat van Naipaul. Hij lijkt Naipaul juist te willen overtreffen in vernietigingskracht als hij vertelt over de programma's voor stadsverfraaiing waarin de hutten en krotten van de armsten tijdens zware moessonregens worden weggebulldozerd, of over de willekeurige arrestaties van politieke tegenstanders en de folteringen in de gevangenissen, en vooral over de campagnes voor gezinsplanning waarin argeloze voorbijgangers worden opgepakt en ('knip knip', zegt Rushdie) gesteriliseerd: de testikels en baarmoeders van de kinderen die precies op het middernachtelijke uur van de onafhankelijkheid zijn geboren worden weggesneden, in een braadpan gebakken met uien en groene pepers en aan de straathonden van de heilige stad Benares gevoerd.

Ik zou er goud voor geven Naipauls gezicht te zien toen hij deze zinnen las. Zijn 'olympische walging' was in één klap overtroffen, nota bene door iemand die er meer van wist en het grappiger kon vertellen. In feite restte Naipaul niets anders dan nog eens naar India te gaan en zijn gezag te herstellen: Terug naar India, de Nederlandse titel van A Million Mutinies now, moest worden geboren, en het oordeel verraste de wereld: 'Er zijn geen wandelende skeletten meer, met van die waanzinnige ogen. Miljoenen mensen in India hebben hier veertig jaar voor gewerkt, op de allerbeste manier. Niet uit dramatische overwegingen, zoals opoffering of missiegevoel. Ze hebben gewoon hun taak volbracht.'

En wat betreft de moordaanslagen van criminelen, terroristen en afscheidingsbewegingen, de spanningen tussen moslims en hindoes en de dreigende oorlog om Kashmir, zegt Naipaul op even bedachtzame toon: 'Wanneer men zich bewust wordt van de geschiedenis, houdt men op instinctief te leven. Dat betekent dat men zichzelf en zijn groep ziet zoals de buitenwereld ernaar kijkt; en het betekent dat men een zekere woede voelt. India is nu vervuld van die woede. (..) De woede leidt tot een miljoen opstanden en de ironie wil dat men niet moet wensen dat ze ophouden. Ze maken deel uit van het begin van een nieuw bestaan, van de groei van India, van het herstel.'

Rushdie moet op zijn onderduikadres uit zijn vel zijn gesprongen. India, de eeuwenoude beschaving van verdraagzame hindoes met intellectuele en genereuze leiders als Nehru en Gandhi, de grootste democratie op aarde, het enige derde-wereldland waar sinds de onafhankelijkheid vijftig jaar geleden een redelijke vrijheid van meningsuiting heeft geheerst; dit India dat tòch als eerste zijn boek De Duivels Verzen wegens godslastering verbood, waarop de moslimlanden niet achter konden blijven en met de fatwah kwamen; dit verraderlijke en huichelachtige India dat beheerst wordt door het geweld van corrupte politici, gangsters en fascisten - zou dit land begonnen zijn aan een nieuw bestaan, het grote herstel?

Het was de hoogste tijd voor De Laatste Zucht van de Moor, dat natuurlijk veel meer is dan alleen een reactie op Naipaul. Het is de eerste 'massala-roman', analoog aan de massala-films uit Bombay, met mannen die uit zwaarmoedigheid de zee in lopen, dynastieën die elkaar uitroeien, dwergen, reuzen en heksen, spionnen en verraders en misdadigers met blikken gezichten en schone vrouwen die op een rotspunt dansen tot ze naar beneden storten. Het boek zou geleverd moeten worden met een soundtrack van hindi-liederen en gigantische strijkorkesten, het heeft schitterende plots, maar ook de gebruikelijke flauwe grappen die Rushdie door zijn jongensachtige ondeugendheid nu eenmaal niet kan laten.

Maar het heeft ook een uiterst heldere visie over waar India vijftig jaar later voor staat. Terwijl Naipaul gelooft in emancipatie en toenemende weerbaarheid en zelfbewustzijn via ontelbare grote en kleine opstanden, ziet Rushdie één gigantische, apocalyptische ontploffing: 'Bhhaamm! Bhhaamm! Niet alleen zusters, vrienden, schilderijen en favoriete plekjes, maar ook het gevoel zelf wordt opgeblazen. Als het leven zo weinig waard wordt, als hoofden over de pleinen rollen en hoofdloze lichamen in de straten dansen, moet je je dan nog druk maken over je eigen voortijdige heengaan? Na iedere wandaad volgt een nog grotere wandaad; als echte verslaafden lijken we een steeds grotere dosis nodig te hebben. Bombay is verslaafd aan de catastrofe, en we zijn allemaal gebruikers, zombies, levende lijken. Ontheemd en geschokt raak ik in een onthechte en godgelijke staat. De stad die ik ken is stervende. Wat dan nog? Que sera sera.'

In het typische massala-verhaal verstoot de moeder de zoon omdat zijn vriendin een hoer is en ontmaskert de zoon zijn vader als een meedogenloze bendeleider waarop de zoon, zelf lid van een fascistische knokploeg, een doodseskader op hem afstuurt en een wolkenkrabber met talloze onschuldigen uit elkaar knalt... Het is bijna niet te geloven dat het India is waar we het over hebben, het India van reinheid, spiritualiteit en geweldloosheid.

In India gelooft het kamp van 'Naipaulians' in een glorieuze toekomst waarin het land zich langzaam zal bevrijden van de knellende banden van kaste en traditie en zich zal ontwikkelen tot een gezonde natie met moderne en krachtige persoonlijkheden. Het kamp van 'Rushdie-ites' is overtuigd van een aanstaande ondergang, een finale ineenstorting dankzij de schijnheiligheid, het banditisme en het onvermogen om de beloften van 1947 waar te maken. En de waarheid ligt voor de hand: ze hebben beiden ongelijk. De enige juiste inschatting over waar India naar toe gaat is niet afkomstig van de aartsrivalen Naipaul en Rushdie, maar van een nog jongere schrijver, een in Canada wonende Indiër die niet belast is met haat, gezag en prestige. Zijn naam is Rohinton Mistry en zijn grote roman heet, o zo toepasselijk, A fine Balance (1995).

In India werd het boek gerecenseerd onder de kop: 'De grote twee krijgen eindelijk antwoord', waarmee de recensent bedoelde dat Mistry tegengesteld is aan Naipaul qua inhoud en radicaal verschilt van Rushdie qua stijl. De waterval van beelden en verwijzingen, de magische bochten en de talloze literaire foefjes en grapjes hadden plaatsgemaakt voor een toon die zo rustig, ingehouden en verhalend is, dat je je afvraagt hoe een hedendaagse schrijver daar straffeloos mee wegkomt.

Maar hoe frivool te zijn bij gebeurtenissen als deze: 'De rest van de dag werden ze om beurten met een zweep afgeranseld terwijl ze naakt aan hun enkels omlaag hingen van de takken van een baniaanboom. Steeds weer verloren ze hun bewustzijn en kwamen ze weer bij, en hun kreten werden steeds zachter. (..) 's Avonds werden er gloeiende kolen tegen de geslachtsorganen van de mannen gehouden en daarna in hun mond gestopt. Toen ze zich weer bewogen verplaatste men de touwen van hun enkels naar hun hals en werden ze opgeknoopt.'

In dit tafereel worden onaanraakbaren gestraft omdat ze weigerden hun stembiljetten met hun duimafdruk blanco af te staan aan de plaatselijke landeigenaar. Tot zover is Mistry het eens met Naipaul: India is onvoorstelbaar wreed en gewelddadig. Maar op briljante wijze dient hij Naipaul van repliek over zijn opmerking dat Indiërs zich ongegeneerd in het openbaar ontlasten. Mistry's protagonisten zijn twee onaanraakbaren die de terreur van het platteland ontvluchten en in de sloppenwijken van Bombay belanden. We leren deze twee jongens, die voor kleermaker hebben geleerd, kennen en liefhebben, ze zijn naïef en ambitieus, ze proberen iets van hun leven te maken door tradities te doorbreken. Maar waar zijn de latrines, vragen ze in de ochtend. Een buurman wijst hen de weg naar de spoorlijnen: 'Die stalen rails zijn reuze handig. Werken net als een plateau. Je zit wat verder van de grond af en de poep kietelt niet aan je achterwerk als het zich ophoopt.'

Dan komt een trein voorbij.

“Kijk die smeerlappen eens', schreeuwt de buurman, 'zoals die naar ons staren, alsof ze zelf geen darmen hebben'. Hij maakt een obsceen gebaar naar de passagiers, waardoor sommigen hun blik afwenden. Één toeschouwer vormt een uitzondering en spuugt naar buiten, maar door een windvlaag waait het terug in de trein.'

Die ene toeschouwer is ontegenzeglijk Sir V.S. Naipaul, maar wat hij niet kon, kan Mistry wel: het omkeren van de identificatie, waardoor we sterker meevoelen met de poepende Indiër dan met de waarnemende reiziger.

Desondanks gaat Mistry mee met Naipauls optimisme als hij beschrijft hoe deze twee onaanraakbaren, midden in de noodtoestand van de jaren zeventig, bij een dame van hogere stand een onderkomen vinden en langzaam haar achting winnen. In het begin krijgen ze van deze mevrouw, die een illegaal naaiatelier erop na houdt, aparte theekopjes, met roze randjes voor de onaanraakbaren en rode randjes voor de hogere kasten. Op een dag lijkt ze zich te vergissen, maar ze vergist zich niet. Ze drinkt zelf uit een kopje met een roze rand en geeft thee aan de kleermakers uit een kopje met een rode rand.

Het komt goed met India, schijnt Mistry te suggereren, want zie, de kastelozen worden behandeld als mensen. Maar korte tijd later worden de twee kleermakers op straat aangehouden en 'knip knip', ontmand. En dan zijn we terug bij Rushdie, die de gebakken testikels aan de honden van Benares liet voeren, maar Mistry zou ook dat te vrolijk vinden. De werkelijkheid is dat de twee hun levens voortzetten en als het werk in het naaiatelier afloopt, bedelaars worden in Bombay. Ze hebben nog contact met hun werkgeefster, ze zijn bijna vrienden, het is allemaal bijna gewoon. Want dat is de kern van Mistry's boodschap, waarmee hij een middenweg vindt in de lange oorlog tussen Rushdie en Naipaul: India zal niet met een grote knal uiteenspatten en niet na vele opstanden een voorspoedig tijdperk ingaan. India zal hetzelfde blijven, India zal voortduren, standhouden - en dat is al erg genoeg.