Het einde van koloniën; Mijnenvegen na de oorlog

John Keay: Empire's End. A History of the Far East from High Colonialism to Hong Kong. Scribner, 384 blz. ƒ 69,95

in Engeland verschenen, bij John Murray, onder de titel Last Post. The End of Empire in East Asia. 400 blz. ƒ 72,50

Het vlagvertoon en de triomfantelijke taal konden niet verhullen dat de overdracht van Hongkong een curiositeit was, of in elk geval niet de historische dag 'die eeuwig gememoreerd zal worden', zoals de Chinese president Jiang Zemin zei. Wellicht was het dat wel voor de burgers van Hongkong die net de smaak van democratie te pakken hadden gekregen. Maar het idee dat hiermee de laatste resten van het koloniale tijdperk werden opgeruimd is niet alleen onjuist - er zijn nog enkele postzegelformaat koloniën in Azië - maar is in de huidige politieke en economische verhoudingen een anachronisme.

Empire's End van de Britse schrijver John Keay beschrijft het einde van de koloniën in Oost- en Zuidoost-Azië. Voor een groot deel is dit Engelse koloniale geschiedenis. De Engelsen zijn ongetwijfeld 's werelds beste dekolonisatoren, de meest ervaren ook. Er was dan ook heel wat te verlaten in het rijk waar de zon nooit onderging. En zoals elke kolonie een geheel eigen karakter en status in het Engelse imperium had, zo kreeg elke kolonie een passend afscheid, zij het dat de doedelzakspeler nooit ontbrak. Engeland deed als eerste land vrijwillig afstand van een kolonie en pakt nu als bijna de laatste zijn koffers. Al in 1930 trok Engeland zich terug uit het Noord-Chinese Wei-Hai-Wei, net als de New Territories een gebied in pacht gekregen van China.

We hoeven daar geen vooruitstrevendheid in te zien. De Engelsen waren even pragmatische kolonisatoren als dekolonisatoren. In 1947 verlieten zij overijld India en werd de eer aan de hindoes en moslims vergund elkaar af te maken. Malaya, het latere Maleisië, werd pas in 1957 onafhankelijk, maar na een roerige aanloop was de overdracht vreedzaam. Dat Malaya het lot van Java en Vietnam bespaard is gebleven, dankte het aan de interne politieke verdeeldheid, het ontbreken van een duidelijk Maleisische identiteit, en de etnische fragmentatie. De Engelsen speelden in de interne conflicten vooral een bemiddelende rol en deden wat Nederland in Indonesië niet is gelukt: een federale staat tot stand brengen.

Wanneer begon het einde? Keay doet daar niet ingewikkeld over. De Portugese pioniers overslaand, begint hij met de komst van de Nederlandse Oostindische Compagnie en gaat met grote stappen door de volgende eeuwen. Tweederde van het boek gaat niet over het vertrek uit de koloniën, maar over de gebrekkige voorbereidingen tot vertrek. Keays verklaringen zijn eenvoudig en weinig schokkend. De koloniale overheden schoven de beslissing over autonomie of onafhankelijkheid voor zich uit, totdat de gebeurtenissen hen inhaalden en er overhaast gehandeld moest worden. Natuurlijk waren de koloniën niet 'klaar' voor de onafhankelijkheid. Gemeten naar westerse normen zouden de landen ook nu nog niet rijp zijn geweest voor zelfbestuur. Maar het evenwicht was zo verstoord door de oorlogsjaren dat een versnelde dekolonisatie onafwendbaar was.

In Indonesië en Vietnam ging dat met veel bloedvergieten gepaard. Dat het ook anders kon, bewezen de Filippijnen. De Engelsen mogen de meesters van de ceremonie zijn geweest, de Verenigde Staten bleken de fortuinlijkste dekolonisatoren. Juist omdat de V.S. geen traditie als koloniale macht hadden en zich, ook toen al, als model voor de rest van de wereld voorstelden, werd hun afstand van de Filippijnen een strategisch meesterwerk. Na de overdracht kregen de Verenigde Staten niet alleen uitgebreide economische rechten, maar ook een groot aantal militaire bases.

Met Empire's End biedt John Keay een geestig en prachtig geschreven relaas van het koloniale afscheid, van Wei-Hai-Wei tot Hongkong. Met lichte pen voert hij ons van Rangoon tot Tokio, Manila en Jakarta. Het is een gedurfde en belangwekkende onderneming om de ontwikkelingen in dit enorme gebied in één boek te presenteren. De decennia rond de Tweede Wereldoorlog waren cruciale jaren in de geschiedenis van Zuidoost-Azië, waarin bijna alle landen de ontwikkeling van kolonie tot economische tijgerstaat doormaakten. Eigenlijk gaat het boek dan ook niet over dekolonisatie, maar over de langgerekte emancipatie van de Aziatische landen.

Empire's End is een opeenstapeling van ironie en verbazing. In de vooroorlogse tijd waart de geest van Somerset Maugham, een sfeer van eindeloze reeksen gin slings en levenloze gesprekken over rubber, rubber en nog eens rubber, van economische depressie en imminente ondergang. De jaren veertig verdienen en krijgen een veel ernstiger toon maar worden evengoed bevolkt door een groot aantal excentriekelingen. Douglas MacArthur, de beruchte generaal uit de Pacific War, wordt afgeschilderd als een ijdeltuit, die altijd in een open jeep reed 'om de camera's niet teleur te stellen'; rajah Vyner Brooke als de bijna mythologische, byzantijnse vorst van het Borneose oerwoud; Lord Mountbatten als de man die of te laat kwam (bij de bevrijding van Malaya) of te vroeg (bij de onafhankelijkheid van India).

Toch horen we bijna uitsluitend de stemmen van de kolonisatoren, de visie vanuit de soos en club, van de verbaasde bezoekers uit het westen die deze merkwaardige maatschappij kwamen aanschouwen. Dit heeft natuurlijk allerlei nadelen, die bijna te evident zijn om lang bij stil te staan. Van het gedachtengoed van de Aziatische nationalisten komen we nauwelijks iets te weten. Evenmin lezen we veel over de motieven van de Japanse bezetters, behalve dat ze uit waren op de rubber in Malaya en de olie in Sumatra en Borneo. De Indonesische Republiek, zo luidt de verklaring, kreeg zoveel kans tot ontplooiing dankzij Japanse steun aan paramilitaire groepen in het laatste oorlogsjaar en de trage herbezetting na de Japanse capitulatie. Maar over de vooroorlogse wortels van de onafhankelijkheidsbeweging vernemen we weinig tot niets. Ook wordt niet duidelijk gemaakt waarom de huidige staten de oude koloniale grenzen zo keurig volgen: een van de intrigerende vraagstukken van Zuidoost-Azië, waar de etnische fragmentatie groter is dan waar ook ter wereld. Daarom is End of Empire het relaas van het hoe van het afscheid, en veel minder van het waarom en het waarheen.

Het begin van het einde is moeilijk aan te geven; dat geldt ook voor het einde van het einde. Waar houdt 'empire' op? Keay heeft er goed aan gedaan zich niet teveel chronologische beperkingen op te leggen. In zijn perspectief wordt de twintigste eeuw een langgerekte afwikkeling van de westerse overheersing in Oost- en Zuidoost-Azië. Helaas komt de nasleep veel te schetsmatig aan bod. Terwijl de Filippijnen langzaam afgleden naar een dictatuur onder Ferdinand Marcos, ontwikkelden, aldus Keay, Singapore en Maleisië zich tot respectabele democratieën. In zijn voorliefde voor eenvoudige tegenstellingen ziet Keay over het hoofd dat er, op periodieke verkiezingen na, van een open democratisch systeem geen sprake is. Het geeft niets, maar een enigszins ingewijde knarst en piept wel eens bij dergelijke dichterlijke simplificaties.

Als Macao binnenkort wordt overgedragen, zijn de laatste resten van de westerse territoriale aanwezigheid in dit deel van de wereld opgeruimd - en vergeten we nu maar die twee of drie resterende eilanden in de Indische Oceaan. Is dit het einde van een tijdperk, zoals politici en journalisten braaf verkondigden? Nee. Zuidoost-Azië is het tijdperk van de dekolonisatie lang gepasseerd. Vele landen maken al geruime tijd een onstuimige economische ontwikkeling door en het zelfvertrouwen van hun regeringen en onderdanen groeit. Aziatische politici en tv-commentatoren juichten de overdracht van Hongkong toe, niet uit vreugde voor China, maar om hun eigen aanspraken op de macht te ondersteunen en hun ergernis over de westerse bemoeienis met de mensenrechten in hun land te ventileren. Het koloniale en dekoloniale verleden speelt in de regio vooral een retorische rol. De overdracht van de laatste koloniale enclaves is als mijnenvegen na de oorlog, en niet meer dan een voetnoot in de geschiedenis. 'Hong Kong' is exemplarisch voor een geheel andere ontwikkeling: de export van de westerse democratische gedachte. Achttien maanden voor de overdracht brak gouverneur Chris Patten met de koloniale autocratische traditie en schreef verkiezingen uit. Op de valreep kreeg Hongkong wat het nooit had gehad: een democratisch ideaal. Het kolonialisme is lang voorbij, de Koude Oorlog is afgelopen. Het westen en Azië zijn een nieuwe ronde ingegaan.

Het begrip einde mag rekbaar zijn, de meeste overdrachten kunnen in één foto worden samengevat. Zo is het bevroren beeld van de Nederlands-Indische overdracht ongetwijfeld de ceremonie van ondertekening in het Paleis op de Dam, Hatta stoïcijns voor zich uitkijkend, Drees werkend aan zijn handtekening, over hem gebogen als een engel des doods in zwarte japon de directeur van het Kabinet der Koningin. Een toepasselijk beeld, want de strijd om de Indonesische onafhankelijkheid werd vooral in het innerlijk van politiek Nederland uitgevochten. Het is de vraag welk beeld van de Hongkong handover zal beklijven. Niet dat van de onaangedane Prins Charles, noch dat van de tranenpinkende dochters Patten. Het zal de foto van Martin Lee's Democratische Partij zijn, een vijftiental demonstranten vlak na middernacht verkrampt op het kleine balkon van het gebouw van de Raad, vuisten in de lucht, roepend om democratie.