Eenduidigheid nodig bij aanpak criminelen

Georganiseerde criminaliteit beperkt zich doorgaans niet tot de landsgrenzen. Daarom moeten afspraken over opsporing internationaal op elkaar afgestemd blijven, vinden Hans Nijboer en Otto Vos.

De vraag wat georganiseerde criminaliteit eigenlijk is, leeft niet alleen in Nederland. Ook in de vele landen waar het Engels-Amerikaanse 'common law' de basis van het rechtssysteem is, wordt voortdurend naar een evenwicht gezocht tussen enerzijds voldoende armslag voor de opsporing en vervolging van georganiseerde criminaliteit en anderzijds het recht van de verdachte op een eerlijk proces. Van de problemen die men daarbij ontmoet, kan Nederland iets leren. Vaak waaien ontwikkelingen in de Anglo-Amerikaanse wereld over naar het vasteland.

Zo speelt in Groot-Brittannië op dit moment het probeem van het zwijgrecht. Bepleit wordt om dit 'right to remain silence' aan te tasten. Naar ons idee gaat dat duidelijk een stap te ver. Zoals ieder uit detectiveseries weet, is het zwijgrecht een van de elementaire rechten die de verdachte bij zijn arrestatie worden voorgehouden. In de Britse situatie blijken er echter veel voorstanders te zijn van verregaande uitzonderingen op dit recht, met name wanneer het gaat om terrorisme, ernstige fraude of drugshandel, die zich vaak als georganiseerde criminaliteit voordoet. Enkele jaren geleden voerde de Britse wetgever al in dat de politie de verdachte weliswaar moet waarschuwen dat hij mag zwijgen, maar dat hij in geval van een serieus verweer, bijvoorbeeld van overmacht of zelfverdediging, dat beter meteen kan melden.

De discussie over de aantasting van het zwijgrecht gaat nog verder. Zo wordt bepleit dat de jury in bovenstaande zaken hoe dan ook consequenties kan verbinden aan het zwijgen van de verdachte op vragen van de zijde van politie en justitie. Wij zijn daarvan geschrokken en zouden willen voorkomen dat de discussie in Nederland dezelfde kant opgaat. In de jaren '30 waren in Nederland gelijkluidende standpunten te horen, toen het zwijgrecht vanuit politiek verdachte hoek werd aangevallen. Volgens ons blijft het zwijgrecht een onmisbaar onderdeel van het evenwicht tussen de elementaire rechten van de verdachte en de noodzaak tot opsporing en vervolging.

Een ander item is de methode van verhoren. Op dit moment is bij ons de Zaanse verhoormethode voorwerp van onderzoek door de recherche-adviescommissie. De rechter heeft uitgemaakt dat die methode niet zonder meer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of tot bewijsuitsluiting leidt. In Londen spraken wij met het parlementslid Chris Mullin, bekend van de 'Guilford Four', die ons schrikbarende voorbeelden van Britse gerechtelijke dwalingen gaf. Het betrof zaken waarin de politie tijdens het verhoor zoveel druk op de - sociaal en intellectueel zwakbegaafde - verdachten had uitgeoefend, dat deze daden hadden bekend die zij niet hadden begaan. Vervolgens hadden ze meer dan tien jaar onschuldig gevangen gezeten. Laat deze Britse ervaringen een ernstige waarschuwing zijn bij de discussie in Nederland over de beoordeling van Zaanse of vergelijkbare verhoormetoden. Het gaat om concrete risico's die zich snel kunnen voordoen als de politie extreme verhoormethoden hanteert.

Een ander thema is het gebruik van informanten. Van Adelaide tot Vancouver, werkelijk overal blijkt de politie bij de opsporing gebruik te maken van eigen 'sapmannen'. Menig land heeft dan ook ook zijn eigen 'IRT-affaire' gehad. In Engeland hebben informanten zelfs in opdracht van de politie een gewapende overval gepleegd. Breed leeft het besef dat de geloofwaardigheid van informanten moet worden gewantrouwd. Desondanks wordt erkend dat de inzet van informanten bij de opsporing en vervolging een noodzakelijk kwaad blijft. Dat de anonimiteit van de informant moet worden gehandhaafd, met name als zijn informatie slechts als kennis en niet als bewijs wordt gebruikt, staat in de Anglo-Angelsaksische landen niet ter discussie.

Vertegenwoordigers van de Britse Criminal Intelligence Service hebben dan ook op twee punten grote bezorgdheid geuit over de consequenties van het in Nederland aanhangige wetsvoorstel op de opsporingsmethoden. Men vreest dat uitwisseling van informatie van informanten met de Nederlandse politie in de toekomst niet meer mogelijk zal zijn. Het risico dat in Nederland de identiteit van de Britse informant moet worden prijsgegeven, acht men onaanvaardbaar in verband met de vereiste bescherming. Bovendien ontstaat in de opsporingspraktijk tussen de Britse en de Nederlandse politie een lastig verschil in de bevoegdheden. Gevreesd wordt dat veel legaal in Engeland vergaarde informatie in Nederland in de prullenmand zal verdwijnen, omdat het niet aan de veel striktere Nederlandse regels voldoet.

Deze Britse bezorgdheid is een belangrijk signaal. Georganiseerde criminaliteit is immers bij uitstek een internatonaal fenomeen. Voor de opsporing en vervolging is intensieve politiesamenwerking noodzakelijk. De afspraken die in juni op de Eurotop in Amsterdam zijn gemaakt, hebben dat bevestigd. Er dient voor gewaakt te worden dat Nederland bij de praktische samenwerking een geloofwaardige partner blijft.

Het Nederlandse wetsvoorstel inzake opsporingsmethoden stelt ook met betrekking tot informanten openbaarheid centraal. Mede om te voorkomen dat buitenlandse bronnen van informatie volledig opdrogen, is duidelijk dat die openbaarheid niet kan worden verabsoluteerd. Op voorwaarde van een stevige rechterlijke controle moet in bijzondere gevallen de identiteit van de informant, met name wanneer deze kennis verschaft en niet tot het bewijs bijdraagt, kunnen worden gewaarborgd. Het wetsvoorstel voorziet daarin onvoldoende. Indien op dit punt geen aanpassing volgt, is het straks uiterst onwaarschijnlijk dat, bijvoorbeeld, de voormalige vriendin van de georganiseerde crimineel het nog ooit zal aandurven om als informant de politie met tips op het spoor te zetten.

Een laatste Anglo-Amerikaans vergezicht betreft het straftoemetingsbeleid van de rechter. In Nederland bestaat het probleem dat gelijksoortige zaken bij verschillende rechtbanken niet altijd gelijk worden bestraft. De kwestie is thans onderwerp van onderzoek. In sommige Anglo-Amerikaanse rechtstelsels zijn daarover de laatste jaren al de nodige beslissingen genomen. In Amerika heeft een overheidscommissie voor federale strafzaken zeer gedetailleerd met richtlijnen voorgeschreven hoe de federale rechter moet straffen. Bovendien geldt zowel in Amerika als in delen van Australië het systeem van 'three strikes, you're out'. Dat betekent een vaste hoge straf na het plegen van drie strafbare feiten. Het voordeel is duidelijkheid voor het publiek en de verdachte, het nadeel is het verlies aan beoordelingsvrijheid van de rechter in individuele zaken.

Volgens ons moeten wij deze weg in Nederland niet inslaan. De stroomlijning van de straftoemeting verdient ook hier aandacht en de rechterlijke macht zal daartoe het voortouw moeten nemen. En indien zij onverhoopt in gebreke blijft, komt de wetgever aan zet. Het is echter belangrijk een evenwicht te vinden tussen strafgelijkheid en het bepalen van de meest aangewezen straf in een concreet geval. De Amerikaanse 'three strikes'-benadering levert een veel te grote starheid die onwerkbaar is en leidt tot een onrechtvaardige hardheid, zonder positieve gevolgen voor de maatschappij.

De Nederlandse situatie wordt voor een deel bepaald door het internationale krachtenveld. Maar wij moeten niet alleen over en weer rekening met elkaar houden, er valt ook veel te leren van elkaars ervaringen.