Een keizerrijk vol fantasiemachines; Gerard Lankveld bouwt een kunstwereld

Rijk versierde stoommachines, geheimzinnige vliegtuigen met de vlerken van een insect, uurwerken met uit koper gedreven miniatuursteden erop. Al jaren bouwt Gerard Lankveld in Gemert aan een fantasierijk in zijn huis. Hij moet schoffelen voor zijn brood want erkenning krijgt hij nauwelijks. “Prachtig Gerard, zeggen ze, maar ze doen niks.”

Het land Monero bestaat nog, het is zelfs een keizerrijk dat voluit Monero Sarkos Vlado heet, woorden uit een taal die samengesteld werd uit Latijnse, Griekse en ook Servische elementen. Deze fantasietaal wordt af en toe gebezigd in een nogal achteraf gelegen straatje in het Peelse Gemert, in het huis van de vijftigjarige Gerard van Lankveld, die zichzelf bij tijd en wijlen Macropedius noemt. Hij heerst er in zijn land dat wordt begrensd door muren van het huisje aan het Stereind ter plaatse. Behalve een eigen taal zijn er in Monero ook eigen postzegels en een eigen muntstelsel. De in kleine kamers verdeelde natie is geheel vervuld met de wonderbaarlijkste instrumenten, uurwerken vooral, die behalve met de tijd ook met de stand van maan en sterren te maken hebben, en met de vochtigheid van de lucht en de temperatuur. Met alles eigenlijk, want Monero is een land dat ook vliegtuigen nodig heeft, stoommachines en locomotieven en een duikboot.

Op dit moment is Van Lankveld bezig met het bouwen van een orgel, een orgel met pijpen die echter de klanken van een dwarsfluit zullen voortbrengen. Een van die pijpen was tijdens mijn bezoek klaar en werd gedemonstreerd met een inderdaad glaszuivere toon. In het centrale kamertje zetelt de koningin-moeder van dit rijk, de 91-jarige weduwe van een dorpssmid van wie zoon Gerard zijn onbegrensde handvaardigheid wel eens geërfd zou kunnen hebben. Ze lijkt gelukkig en tevreden, trots op haar zoon die af en toe een van zijn kunstwerken exporteert naar het buitenland, naar de gemeente Gemert bijvoorbeeld die ooit een van zijn uurwerken aankocht.

De situatie doet onmiddellijk denken aan die van Panamarenko, die merkwaardige Belg met zijn vliegtuigen, luchtschepen en andere fantasiemachines. De werkstukken van Panamarenko zijn over het algemeen omvangrijker dan die van Macropedius, maar er is een belangrijker verschil: de Belg werd wereldberoemd, de Brabander vindt slechts waardering in een beperkte kring van kunstenaars en inspirerende vrienden weliswaar, maar toch moet hij zijn geld verdienen als schoffelaar op een kwekerij waar hij vanwege de Sociale Dienst te werk werd gesteld na eerst elders in een sociale werkplaats aan de lopende band te hebben gestaan.

Toch zijn beiden, Panamarenko en Macropedius, vrijwel gelijkwaardige artistieke constructeurs, levend in een zelfgeschapen wereld waar gedachten en fantasieën door buitenstaanders nauwelijks te volgen kronkelwegen bewandelen die altijd uitkomen in een kunstwerk. Bovennormale ambachtelijkheid en handvaardigheid gaan samen met de verbeelding van een kunstenaar. En met de nauwkeurigheid van een boekhouder. Want als kunstenaar beschouwt Gerard van Lankveld zich wel degelijk, en niet als een handige knutselaar die leuke dingen kan maken zoals zijn omgeving deze ex-leerling van een BLO-school oorspronkelijk beschouwde.

In de jaren zeventig en tachtig leek het een andere kant op te gaan. Hij had exposities in onder meer 't Kruithuis in Den Bosch, de Commanderie van St. Jan in Nijmegen, het Jan Cunencentrum in Oss, het Cultureel Centrum De Vaart in Hilversum, in de Gemeentelijke Kunstzaal van Hengelo. Daar was in 1987 de voorlopig laatste tentoonstelling die landelijk de aandacht trok. Bevriende kunstenaars schreven zelfs een boek over hem.

Lastig

Maar ondanks dat alles, zo lijkt het, blijft Van Lankvelds verleden hem achtervolgen, die van een moeilijk lerende jongen met grote concentratieproblemen die dus op een BLO-school terechtkwam, door zijn vriendjes als achterlijke werd gepest en door de Sociale Dienst met aangepaste baantjes voortgeholpen moest worden. Bovendien stond hij bekend als een lastig man die bijvoorbeeld gemeenteraadsvergaderingen verstoorde met zijn meningen over wat rechtvaardig en onrechtvaardig was. Een zonderling dus.

Hij is nu vijftig en lijkt rustiger geworden te zijn, wijzer, maar ook berustender. Hij zegt het nu heel goed te hebben in zijn eigen huis, en met de verdiensten van het schoffelwerk via de Sociale Werkplaats. Men heeft hem eerst één en later twee overigens onbetaalde vrije dagen per week toegestaan, op maandag en op vrijdag zodat hij steeds vier dagen achtereen bezig kan zijn met zijn kunst. Een kunst die een vrij grote basiskennis als ondergrond móet hebben: over uurwerken, de astronomie, over allerlei natuurkundige verschijnselen, over de bouwkunst ook en over talen.

Hoe heeft hij zich die kennis eigen gemaakt?

Op de vraag, enkele malen herhaald, komt geen duidelijk antwoord. Je hoort wel eens wat, zegt hij, of je leest iets.

Heeft hij veel boeken? Ja, ik heb wel boeken. Nee, geen romans. Waar gaan die boeken dan over? Over van alles. Hij biedt duidelijk niet aan zijn boeken aan de bezoeker te tonen.

Alle objecten hebben namen in de taal van het keizerrijk Monero. De uurwerken heten Gorot Mir, en Cysar Gorot, stoommachines dragen namen als Hifaestos, Syntalon en het telefoontoestel is van de New Monerial Phone Company.

Monero functioneert nu al enkele tientallen jaren, groeide steeds verder uit tot een compleet rijk met aan de buitenmuren luiken voor de ramen in de kleuren rood, wit en groen die respectievelijk strijd, hoop en vrede symboliseren. Het land beschikt ook nog over een ander kenmerkend schild, waarin planten hun eigen betekenis hebben: de braamstruik voor kracht, het eikenblad voor vaderlandsliefde, de rechtopstaande korenaar voor leven.

Gerard van Lankveld heeft zich losgemaakt van een omgeving die hem met spot en hoon dreigde te vernielen.

“Vind jij nou dat ik in een sociale werkplaats thuis hoor?” vraagt hij retorisch. Er is nu wel degelijk verbittering in zijn stem als hij voorbeelden noemt van mensen die met mindere prestaties dan de zijne rijk en beroemd zijn geworden. In sommige van de voorbeelden moet ik hem gelijk geven, moet ik beamen dat succes veel te maken kan hebben met een sociale vaardigheid die de kunstenaar Macropedius ten enen male mist.

Hij kon niet anders dan zich van de buitenwereld afwenden. Zelfs de taal stond hem tegen. Daarin immers werd hij uitgescholden en vernederd: “Het Nederlands klinkt niet, het is zakelijk, uitgedroogd, het gaat altijd maar om geld.”

Als kind al trok hij zich terug om dingen te maken - toen nog vliegers en zo. Daarna werd het sleutelen aan bromfietsen. Dat moest in een schuur gebeuren, waar het 's winters koud was en altijd vochtig en smerig van de olie. Aan klokken prutsen kon binnen gebeuren, in een verwarmde huiskamer. Hij maakte kennis met een club van klokkenknutselaars (“er zaten professoren bij en ingenieurs”), maar daar beviel het hem niet: “Ze maakten alleen maar klokken na.” Hij wilde zijn eigen uurwerken maken, zelf de onderdelen vervaardigen, soms met speciaal daartoe ontworpen gereedschap. Daartoe is handvaardigheid nodig, maar zeker ook concentratie, die aanwezig bleek bij een jongen die wegens gebrek aan concentratievermogen naar de achterlijken-school was gestuurd. Desondanks beschikt hij over het vermogen zich via onduidelijke bronnen op de hoogte te stellen van voor heel veel 'normaal' geschoolde mensen nimmer te doorgronden stelsels, wetten en processen.

Astrolabium

In de met van alles volgestouwde kamer, waar wij praten, staat in een hoek een bijna drie meter hoog rijk versierd uurwerk, dat - legt hij uit - een grote empireklok is met een astrolabium, een astronomisch instrument waarvan bedoeling en werking mij zelfs na studie in de encyclopedie grotendeels ontgaan. Wat me overigens in die uitleg het meest frappeerde is: “Sinds de renaissance werden zij vooral in Duitsland en in de Nederlanden bijzonder kunstvaardig bewerkt waardoor deze wetenschappelijke instrumenten tevens tot kunstwerken uitgroeiden.”

Welnu, dat laatste is in het land Monero duidelijk gebeurd. Van Lankveld zegt dat er in Praag een beroemd astrolabium is dat hem mede tot het zijne inspireerde.

Het is vooral de Oost-Europese en Russische bouwkunst die hem interesseert en waaraan hij veel elementen en gedachten voor zijn eigen werk ontleent. Bijvoorbeeld voor de twaalf meter hoge toren die op het huis Morena gebouwd de speciale status ervan accentueert. De toren is rijk versierd, geornamenteerd en beschilderd. Ook elders op de binnenplaats staan zinken torenspitsen waaraan nog gewerkt wordt.

Ze zijn - legt Van Lankveld uit - weliswaar Russisch geïnspireerd maar met sterk Italiaanse invloeden: “De Italianen hebben met hun bouwkunst overal gezeten. Heel gek is dat eigenlijk. Ze hebben die bouwkunst voortgebracht, maar ook de mafia. Weer zo iets.”

Ik vraag hem of hij niet liever al zijn tijd aan zijn kunst zou willen wijden. Dus zonder die drie dagen onkruid wieden per week.

“Dat doen ze hier nooit”, zegt hij. “Dat geeft een precedent of zo.” En gewoon weggaan en zichzelf als kunstenaar vestigen? Hij krijgt af en toe opdrachten. Van de gemeente, van een bibliotheek, een artsenpraktijk. Nu werkt hij aan een opdracht voor een carrousel, hij heeft al een paar zonnewijzers verkocht, en klokken. Belangstelling bestaat er ook voor een planetarium.

Hij durft het niet aan, zegt hij. Ze vinden het allemaal geweldig wat ik doe, maar dat resulteert in niks. “Prachtig Gerard, zeggen ze, maar ze doen niks.”

Gerard van Lankhorst blijft in zijn werkplaats, een donkere ruimte met kleine ramen boven een werkbank waarop maar een klein stukje voor het eigenlijke werk is uitgespaard. Op de rest rust een berg gereedschappen en onderdelen van anderhalf à twee meter hoogte, terwijl ook de wanden dicht met de meest uiteenlopende voorwerpen behangen zijn. Herkenbaar is een reeks koperen blaasinstrumenten. Zijn die bestemd ter verwerking in objecten? “Nee, daar blaas ik af en toe op.”

De werkplaats is het hart van Monero.

Macropedius durft het niet aan dit keizerrijk te verlaten, zich als de kunstenaar die hij evenals Panamarenko, Tinguely en Arman is, onder de mensen te begeven.

“Ik heb dat stempel van de BLO-school en de Sociale Werkplaats en dat raak je nooit meer kwijt.”