De Belgisch-Hongaarse grens; Schrijver zijn in Boedapest

“Zoals alle Midden-Europeanen die het communistische rotsblok voor hun deur hebben weggerold, zijn de Hongaren dol op debatteren.” Benno Barnard over zijn gastdocentschap in Boedapest.

De Donau scheidt West-Europa van Oost-Europa, Euramerika van Eurazië... De Hongaarse geest krijgt voortdurend de kans het toneel te zijn waarop zich de synthese voltrekt van de aan het zuiden ontsproten westerse en de nog niet vernoorderlijkte oosterse cultuur... De bijbelse bronnen, moderne Weltanschauungen en de democratische maatschappelijke opvattingen van het westen kunnen met de sjamanistische wezenstrekken, archaïsche denkbeelden en revolutionaire perspectieven van het oosten verbonden worden.''

Bitte sehr, enkele slierten uit de hersenpan van de dichter Adám Tábor, citaten uit een beschouwing over de diepere betekenis van die spreekwoordelijke mooie en blauwe waterloop die Boedapest in tweeën snijdt. Tábor was een van de vele kunstenaars en intellectuelen die ik dit voorjaar in de Hongaarse metropool mocht ontmoeten - ik verbleef daar op uitnodiging van een hoogleraar in de neerlandistiek, de beminnelijke en scherpzinnige Judit Gera, die kort voordien de laatste hand aan de vertaling van mijn boek Het gat in de wereld had gelegd: in ruil voor een paar gastcolleges aan haar derdejaarsstudenten kreeg ik een gemeubileerde flat in de heuvels van Boeda, een bescheiden honorarium, een boekje met tramkaartjes en de weelde van vijf haast lege weken. Ik had dus ruimschoots de tijd om in de stad rond te zwerven en via mijn vriendin-professor, die de halve geestelijke elite van het Donau-bekken scheen te kennen, dieper door te dringen in het historische bewustzijn en de endemische melancholie van haar volk.

Kortom, begin april overhandigde Judit me de sleutels van een driekamerflat in een grijs blok van drie verdiepingen uit de jaren zestig, gelegen in de Csejtei útca. Mijn leeropdracht bleek een zachtgroen ligblad te impliceren, een ottomane, biedermeierstoeltjes, zoet-romantische olieverfschilderijen met geruststellende afbeeldingen van de poesta en het Vissersbastion, planken vol onleesbare boeken... dit alles geïncrustreerd in socialistisch beton en toebehorend aan een academicus die een sabbatsjaar in het buitenland doorbracht, een dr. Kovács Endre, volgens het bordje naast de bel (het verwisselen van familienaam en voornaam, wat mensen in België als ongeletterd brandmerkt, is een van de eigenaardigheden van de Hongaarse grammatica.)

Dus. Mijn nieuwe woning viel 'best wel gezellig' te noemen. Maar het uitzicht! Dat zou een blinde nog hebben verrukt: ik ging op het balkon staan en aan mijn voeten bloeiden uitbundig de appelbomen, mijn útca kronkelde naar een okergeel barokkerkje in de diepte, ver weg in Ujpest contrastreerden torenflats met het vruchtbare blauw van de heuvels in het noordoosten... en op de bodem van dit weidse en toch intieme Boedapest strekte de stroom van Johann Strauss junior zich naar twee gezichtseinders uit, wit blikkerend in de middagzon. (Wit. Tussen parelgrijs en ultramarijn in. Bruingeel. Blauwgroen. Blauw, misschien, tijdens het fotografisch kwartiertje, vlak voor zonsondergang, wanneer Boeda zijn schaduwen tot in Pest wierp... In het jaar 1935, zo lees ik in een boek over de geschiedenis van de wals, was de Donau 6 dagen bruin, 55 dagen leemgeel, 38 dagen vuilgroen, 49 dagen helgroen, 47 dagen grasgroen, 24 dagen staalgroen, 109 dagen smaragdgroen, 37 dagen donkergroen en 0 dagen blauw - dit palet openbaarde zich althans aan een of andere statistische dienst in Wenen.)

Qp dinsdagavond kwam altijd een clubje van tien à twintig schrijvers bijeen in hotel Astoria, een pronkstuk uit de nadagen van de dubbelmonarchie, in het centrum van Pest: een en al mahonie, glimmend koper, tapijten die nog de viriele tred van Kaiserliche-und-Königliche officieren hadden geduld... maar naar de duivel met mijn nostalgie! Ik was uitgenodigd om een glas te drinken met mijn levende collega's en ik had me dus naar de hoek van de Károly körút en de Rákóczi út gehaast, waar het personeel in de lobby van dat eerbiedwaardige etablissement zijn uit de belle époque daterende omgangsvormen juist aan een luidruchtig zootje nieuwe rijken stond te verspillen, Russen of Oekraïeners. Ik werd naar de bar verwezen.

Zoals alle Midden-Europeanen die het communistische rotsblok voor hun deur hebben weggerold, zijn de Hongaren dol op debatteren. Hier, in dit bedwelmende decor, zat de crème van de hoofdstedelijke intelligentsia te discussïeren met een vuur alsof de hele literatuur opnieuw moest worden uitgevonden (wat in zekere zin natuurlijk ook zo was). Ik stelde me voor, drukte handen onder het ritueel mompelen van Servus... Men was bezig een nieuwe schrijversbond op te richten, legde iemand mij uit.

Aha... Ik zonk weg in het gecapitonneerde leder van een clubfauteuil. En wat deugde er dan niet aan de oude schrijversbond? “Ik heb het gevoel dat deze regio een kant opgaat die niet bij mij past, dat men bezig is tot een nieuw soort stompzinnigheid te vervallen. Er is hier een sfeer van hysterie aan het ontstaan, een soort verwarring, een rechts-klerikale-nationalistische-censuristische-exclusivitistische-rest auratieve-fascistoïde-intolerante stemming.”

Een dagboekaantekening van György Konrád uit 1991 (opgenomen in De oude brug): zes jaar later ontdekte ik onder de kroonluchters van het Astoria dat al deze adjectieven ook in de schone letteren woekerden als zwammen. Kende ik de schrijver István Csurka niet? riepen zijn tegenstanders in koor. Deze voormalige dissident en medestander van Konrád had na de revolutie zijn masker afgerukt en zich als bendeleider van de neo-fascisten-nationalisten-restauratieven in de landelijke politiek gestort; de schimmellucht van het csurkaïsme hing ook in de oude schrijversbond en dat was een van de redenen om een nieuwe op te richten.

De essayist László Földényi - een chic grijzende veertiger, gewapend met een rond metalen brilletje en een fenomenale kennis van de Duitstalige cultuur - plaatste de situatie in historisch perspectief. “Het zit namelijk zo,” zei hij in zijn weke Duits, “dat er hier een aloude vete tussen zogenaamde urbanisten en de zogenaamde populisten bestaat, anders gezegd tussen kosmopolieten en nationalisten. Tijdens het interbellum was dat ook al het geval. Ongetwijfeld heeft het te maken met onze chronische identiteitscrisis. We voelen ons tegelijkertijd superieur en mislukt...”

Dat Duits! Het was alsof op de achtergrond koperblazers con sordino de Radetzkymars speelden.

Anderen mengden zich in het gesprek, onder wie Adám Tábor, klein, nerveus, joods, een intellect als een opgeschrikte vleermuis, knipperend met zijn ogen en struikelend over zulke details als de Duitse en de Engelse zinsbouw. Hij schetste zijn visie op het Magyarendom, dit ruitervolk met zijn mythische herkomst uit de steppen van Azië, deze veroveraars die in 1920 als medeverliezers van de Grote Oorlog tweederde van hun grondgebied weer aan Europa hadden moeten afstaan, deze imperialisten die in hun huidige kleinburgerlijke toestand soms even hun verlepte pauwenstaart ontvouwden...

Dit was niet allemaal nieuw voor me. Bij eerdere bezoeken had Judit me al gewezen op de frustraties van de Hongaren over het Verdrag van Trianon, waardoor ze bijvoorbeeld heel Transsylvanië aan de Roemenen waren kwijtgeraakt. Dat was nog eens iets anders dan Frans-Vlaanderen! Ook wist ik dat deze atavische Aziaten zich als bezetters overal gehaat hadden gemaakt (zo vertelt Cioran in Entretiens dat zijn oudste kinderherinneringen met een traumatische angst voor de Hongaarse politie zijn verbonden). Maar de analyse van Tábor veranderde mijn clubfauteuil in een grote oorschelp.

“U moet begrijpen,” vulde Földényi tenslotte glimlachend aan, “dat wij Hongaren voortdurend aan de existentiële twijfel ten prooi zijn. We weten niet eens waar we in Eurazië precies thuishoren, dus hoe zouden we moeten weten wat onze plaats in de kosmos is? Bovendien verstaat geen hond onze taal, maar diep in ons hart vinden we het onzin om vreemde talen te leren!”

Waarlijk, dit Duits was in reuzel gebakken.

Wat het Hongaars betrof: loketbedienden op het hoofdpostkantoor bezaten een speciale gave om tegenover toeristen stommetje te spelen, met doffe blik door die English? Deutsch? roepende barbaren heen starend naar een punt in de poesta, tot ze na een minuut of zo afdropen. Maar nog merkwaardiger was dat sommige intellectuelen geen gebenedijd woord in een westerse taal machtig waren. Op Moszkva tér informeerde ik naar een tram bij een min of meer kunstzinnig type: baard, bril, boek van Huizinga (o toeval) in de hand - en keek in diezelfde vissenogen. (Daar stond tegenover dat mijn derdejaarsstudenten een erg welluidend Nederlands aarzelden, zuiverder van klank dan dat van de gemiddelde adolescent in de Randstad... maar misschien was dat niet zo'n geweldige verdienste.)

De lente was een drie weken durende liefelijke explosie: Boeda leek wel één boeket van bloeiende fruitbomen en de lucht werd iedere dag zoeler. Ik maakte lange wandelingen in de heuvels, die nieuwe verkavelingen en flatgebouwen als het mijne na honderd stappen genadig aan het oog onttrokken, en uit plichtsbesef toog ik naar de modernistische woning van Bartók, een postuum beleefdheidsbezoek, want de villa's van de vooroorlogse plutocratie interesseerden me meer. Veertig jaar lang hadden partijbonzen zich op fabrikanten en edellieden gewroken door in te breken in hun somptueuze woningen, die als enorme roze, witte en gele meringues in parkachtige tuinen verrezen; nu hadden andersoortige gangsters en parvenu's automatische hekken geïnstalleerd en dwaalden er bloeddorstige honden tussen de struiken. Ach die villa's in Boeda! De mooiste waren geel, het okergeel van de dubbelmonarchie, K.u.K.-gelb, of meer de tint van advocaat, of eierdooier, of anders mosterdgeel, of citroengeel, of kanariegeel, of leemgeel...

Iets vreemds viel me pas na twee weken op: sinds mijn vorige bezoek, herfst 1995, waren veel kogelgaten verdwenen. Zesenvijftig werd door ijverige bouwvakkers dichtgesmeerd, de ballistische gedenktekens verdwenen onder vers cement, en horrendum, ik betreurde dat! Het creëerde nieuwe gaten, dit keer in het geheugen - bovendien memoreerde iedere pokdalige gevel voor mij privé dat ik er toen al was, ik was twee jaar geworden in Londen, waar mijn ouders uit angst voor nog een oorlog een hotelkamer hadden genomen: mijn geschiedenis als zoön politikon was hier in Boedapest begonnen... (Konrád in De oude brug: “In zesenvijftig stond het me al evenzeer tegen als nu: het algemene zelfmedelijden hier. Wij zijn verkracht, jammerde de natie. 'Jij hebt je kont ook niet stilgehouden', zei de rabbi tot zijn huilende dochter, 'Ik heb niet alleen de kozak, maar ook jou gehoord.' ”)

Zo beschouwd was het dus geen wonder dat ik met László Ferenczi, professor in de Franse taal en letteren, één meter zestig groot, wenkbrauwen als struweel boven een dik zwart brilmontuur - een liefhebber van Brussel, moules, frites, Belga, Charles de Coster, Verhaeren, Marie Gevers... dat ik met dat wiegelende kale hoofd het licht-surrealistische Comité pour la fondation de la frontière commune belgo-hongroise oprichtte, na enige flessen voortreffelijke rode wijn uit de Balatonstreek, welteverstaan.

Dit Hongaarse ruimtewezentje woonde aan de Erzsébet körút (vrij vertaald: de Sissi-boulevard) in Pest, in een laat-negentiende-eeuws flatgebouw met een onwelriekende binnenplaats en een krullerige gevel in de Weens-imperiale stijl die Adolf Loos tot zijn Ornament ist Verbrechen had geïnspireerd.

Een dronkenman achter een plastic bekertje in het portaal. Granieten trappen. Pianomuziek en gedruis van stemmen.

Het appartement zelf was uniek. Ferenczi had het omstreeks 1960 van zijn vader geërfd, wiens bureau samen met een Bechstein een van de drie immense vertrekken vulde, en het sindsdien nooit meer grondig laten schoonmaken. Stapels boeken reikten in cascade-vorm naar het plafond van de woonkamer, waar een Perzische koek op de vloer plakte; overal lagen papieren en tekeningen, stonden borden en asbakken, hingen overhemden en stropdassen... en in deze tot een geniaal uiterste gedreven chaos ontving dat briljante, geestige mannetje op gezette tijden een zwerm studenten, jeugdige poètes maudits, aspirant-kunstenaars (al dezen van beide geslachten) en mysterieuze jonge vrouwen wier voornaamste functie in het decoratieve scheen te liggen.

“Ce sont mes professeurs!” kraaide hij, die zelf een hooggeleerd kind van zestig was. Hij schonk me een glas wijn in en veegde stralend de transformationeel-generatieve grammatica van tafel: “Ik hoop dat u mijn Hongaarse denksprongen kunt volgen, lieve vriend! Want ik vrees dat ik geen Frans spreek, alleen Hongaars met Franse woorden.”

Een jongeman met vest en met een lavallière als een grote zwarte vlinder tegen zijn keel, die een tamelijk succesvol allegro uit het tweede pianoconcert van Rachmaninov aan de oude vleugel ontlokte, hield plotseling op met spelen en draaide zich naar mij om: “Kent u die grap over de drenkeling in de Donau, monsieur? Hij roept luidkeels om hulp, eerst in het Hongaars, en als niemand in het water duikt om hem te redden ook in het Frans, het Duits, het Russisch, het Engels... Maar niemand reageert en tenslotte wordt hij meegevoerd door de stroom. Een vader en zijn zoontje hebben het hele schouwspel vanaf de Vrijheidsbrug gadegeslagen. Zegt de vader: 'Zie je nu wel dat je niks aan vreemde talen hebt?' ”

Ik kwam graag in kávéház Müvész, schuin tegenover de Opera in de Andrássy út, dat met zijn taartjes en verguldsel een rariteit mocht heten in deze stad, die immers door communistische puriteinen grotendeels van haar goed-burgerlijke vooroorlogse koffiehuiscultuur was beroofd. O tijden! O zeden! Nog gezwegen van het feit dat de Hongaarse avant-garde de bourgeoisie niet zo erg haatte, of ze placht haar schokkende manifesten in dit soort Pester cafés op te stellen...

Daar, tussen de patisserie, trof ik op een middag de dichter Sándor Kányádi aan, die achter een kopje mokka zetelde en in een druk gesprek met zijn Nederlandse vertaler Wim Swaan was verwikkeld - Wim, die zelf in Boedapest woont, had mijn ontmoeting met deze eminentie van de Hongaarse verskunst gearrangeerd en trad ook op als tolk, want Kányádi voelde zich in geen enkele westerse taal op zijn gemak.

Een aimabele oude baas, die Kányádi. Boordevol esprit en op een luchtige manier indrukwekkend. In staatkundige zin een Roemeen, maar overigens een Hongaar. Ook na de dood van Ceaucescu had hij zijn woonplaats Cluj, de belangrijkste tweetalige stad in Transsylvanië, niet in de steek willen laten; maar acht jaar nadat het genie der Karpaten gefusilleerd en het democratiseringsproces begonnen was, ondervond hij nog altijd allerlei subtiele vormen van discriminatie.

“Zelfs Roemeense collega's die me respecteren, spellen mijn naam bijna principieel fout. Dat is toch eigenaardig, vindt u niet?!”

“Ik ken het fenomeen uit België.” Was dat Cluj... Kolozsvár geheten in het Hongaars, Klausenburg in het Duits, Klów in de albums van Kuifje... was Cluj, mutatis mutandis, immers niet een taalkundig-historisch-etnische wirwar op zijn Brussels?

“Die Roemeense intellectuelen vragen me soms of ik dan per se niet tot de grote Romaanse cultuur wil behoren, met dat rare Hongaars van me. 'Schrijf toch in het Roemeens!', zeggen ze. En ik antwoord altijd met de vraag of ze zich met hun malle Roemeens bewust de toegang tot de grote Fins-Oegrische cultuur ontzeggen...”

We lachten smakelijk. Niets is fataler voor een groeistoornis die nationalisme heet, dan een kalme zelfspot. Ik vroeg hem of het Hongaars in Roemenië niet bedreigd werd door de emigratie van Hongaarstaligen, die na 1989 op gang was gekomen, en die hij voor zichzelf zo categorisch afwees.

“Ach, beste meneer! Laten we ons dan wat ijveriger voortplanten! Of zoals mijn collega Cseres Tibor altijd zegt: 'Men moet een land niet met het zwaard veroveren, maar met de schede...'. Begrijpt u wel?”

“Die woordspeling is toevallig ook in het Nederlands mogelijk.”

“Die is alleen in grote talen mogelijk.”

We lachten nogmaals. Een paar van dit soort Kányádi's kon de Vlaamse Beweging wel gebruiken, overwoog ik bij mezelf - onwrikbare humanisten, provinciale wereldburgers, lucide melancholici, dichters die (in de vertaling van Wim Swaan) een gedicht over de ark van Noach zo begonnen:

We moesten alles naar binnen dragen, alles naar binnen drijven. Ook de woorden. Al is het dialect, geen enkel woord mag buiten blijven. Niets is overbodig.

Dichters wier poëtisch prestige en morele autoriteit samenvielen en die grappen vertelden als deze, nog daterend uit de tijd van de grote vleesschaarste onder de Conducator. Voor een slagerswinkel in Kolozsvár staat een lange rij geduldig te wachten. Na een uur komt de slager naar buiten en vraagt de joden naar huis te gaan, want hij krijgt gegarandeerd te weinig vlees geleverd vandaag. Joden morrend af. Twee uur later herhaalt dit scenario zich met de Hongaren, zodat de rij nu alleen nog maar uit Roemenen bestaat. Aan het eind van de middag verschijnt de slager handenwringend en zwetend in de deuropening: met de beste wil van de wereld, maar dat vlees komt morgen pas... 'Moeder Gods', moppert de ene Roemeen tegen de andere, 'de joden en de Hongaren worden toch ook altijd voorgetrokken in dit land.'

Op de laatste dag van mijn vrolijke professoraat werd Judits vertaling onder de titel Lyukas világ boven de doopvont gehouden. De rituelen vonden plaats in boekhandel Osiris, Veres Pálné út in Pest - waar ik om vijf uur mijn opwachting maakte, na om twee uur met emeritaat te zijn gegaan. Enige koketterie is mij niet vreemd en dus vermeld ik hier ook nog dat György Konrád door de uitgever was gestrikt voor de inleiding.

Het boek oogde aantrekkelijk, het kostte 790 forint (150 frank) en buitenop prijkten mijn voor- en achternaam in hun westerse volgorde - tussen deze kaften sprak ik dus Nederlands met Hongaarse woorden.

Ik was zenuwachtig.

Om mij heen scheen le tout Budapest zich te amuseren met witte wijn, zoute stengels en elkaar. Daar was Tábor en ginds die charismatische, kettingrokende gnoom van een Ferenczi... en ik ijdeltuit smolt van nervositeit!

Maar - en ik vertel dit in de absolute zekerheid dat ik daarmee links en rechts wel een paar mediocre schoolfrikken tegen me in het harnas jaag - de woorden van Konrád deden me blozen van trots. Ja, ik gloeide als een lamp! Als een worm!

Laat ik op deze plaats mijn hoed afnemen voor die grote Hongaar en nog één citaat uit De oude brug kiezen, een motto voor de eenentwintigste eeuw, misschien: “Een rustige oude dag en een cultuur die berust op burgerlijke waarden: dat is het enige waar ik aanspraak op maak voor mezelf en mijn mede-Midden-Europeanen.”