Asiel en politiek

DE TRAGEDIE HEEFT een voorlopig einde gekregen. De rechter heeft gesproken: er is geen rechtsgrond voor het verdere verblijf van de Iraniër M. Nasseri en zijn gezin in Nederland. Nasseri heeft daarna zijn in een levensbedreigend stadium geraakte honger- en dorststaking beëindigd.

Nasseri is niet de enige asielzoeker die zijn eigen leven heeft ingezet om aan uitzetting te ontkomen. Maar de intensieve publiciteit die zijn onderneming heeft gekregen, heeft van de man en zijn familie een symbool gemaakt. Symbool van alle slachtoffers van onmenselijke omstandigheden die elders, onder meer in Nederland, een goed heenkomen zoeken. Dat zijn zaak voor de rechter speelde zo kort voor een Kamerdebat over het beleid van opneming en uitzetting van vluchtelingen, zal de algemene aandacht slechts hebben versterkt.

Advocaten hebben de afgelopen weken de IND (de Immigratie- en Naturalisatie Dienst), die asielaanvragen in eerste instantie beoordeelt, gekritiseerd wegens slordigheid, haast, desinteresse en zelfs vooringenomenheid. De resultaten van de beoordeling zouden er naar zijn. In de zaak-Nasseri is veel werk gemaakt van de suggestie dat betrokkene pas in een laat stadium zijn hele verhaal heeft willen/durven vertellen. De rechter heeft zich daardoor niet laten overtuigen.

HET PROBLEEM van het asielbeleid zit intussen dieper. In zijn algemeenheid komt het tot stand op grond van politieke overwegingen, in een beperkt aantal gevallen wordt de uitkomst ervan juridisch getoetst. Politiek is een zaak van verschuivende criteria. Zeker het vreemdelingenbeleid, meer in het bijzonder het vluchtelingen- en asielbeleid, is de afgelopen jaren sterk onderhevig geweest aan veranderende normen en inzichten. Liet Nederland zich jarenlang voorstaan op zijn “historische” gastvrijheid, toen het begin jaren negentig werd overspoeld door vluchtelingen uit Iran, Bosnië, Somalië en tal van andere landen waar onderdrukking, oorlog en honger de samenleving ontwrichtten, kenterde de stemming. De regering en de volksvertegenwoordiging voelden zich gedwongen de tot dan toe ruime toelating om te zetten in een - gezien de uitgangspunten succesvol - ontmoedigingsbeleid.

Dat had direct gevolgen voor de criteria waarmee de IND werkt. Werd voorheen in een groot aantal gevallen aan niet toegelaten vluchtelingen een tijdelijke verblijfsvergunning verstrekt - waarvan de tijdelijkheid slechts een formeel karakter had - sinds de beleidswijziging worden niet toegelaten en “uitgeprocedeerde” asielzoekers uitgezet. De vraag of die uitzettingen voortkomen uit gewijzigd beleid in Nederland of uit gewijzigde omstandigheden in het land van herkomst is er een van de kip en het ei. In ieder geval komt iedere informatie dat het in het betrokken land “beter” gaat de overheid bij haar uitzettings- en ontmoedigingsbeleid van pas.

OVERIGENS IS de uitspraak van de rechter niet het laatste woord in kwesties als de zaak-Nasseri. Uitwijzing van vreemdelingen is op zichzelf problematisch. De medewerking is nodig van de uitgewezenen - die hangende hun uitwijzing niet worden vastgezet - en van het land waarnaar de vreemdeling wordt uitgewezen. Die situatie geeft de overheid kennelijk ruimte om zelf ook niet in alle gevallen hardnekkig uitzetting na te streven. Het heet bijvoorbeeld dat zij, sinds de uitzetting naar bepaalde landen onderhevig is geraakt aan kritiek, terughoudend is geworden bij bepaalde daadwerkelijke uitzettingen. Wat nog eens onderstreept dat het vreemdelingen- en asielbeleid - rechter of geen rechter - wordt gevoerd onder de zware slagschaduw van publiciteit en politiek.