Aap met vis

Jorge komt uit Panama, Margaretha uit Tsjechië, Kanae is Japanse en Hilde woont in Overijse. In mijn klas zitten eenentwintig leerlingen uit veertien landen. Ze spreken net als ik min of meer Frans. Gendarmes uit het Maasland die in Brussel moeten werken, een vertegenwoordiger uit Antwerpen die de hoofdstad als rayon heeft en een tandartsassistente die haar patiënten niet verstaat. De Kamer van Koophandel in Brussel geeft taalles aan volwassenen.

“Beschrijf hoe je ideale huis eruit ziet en gebruik daarbij de subjonctif of de futur simple”, zegt de lerares die uit Sint-Truiden komt en in de pauze Vlaams spreekt. In Hilde's tuin gaat binnenkort gras groeien, want dat hebben ze zojuist ingezaaid. “Tout engrais”, zegt ze trots. “Engrais?” vraagt de juf verbaasd. Hilde knikt, dat stond immers op de zak. “Maar dat is geen gras, dat is mest.” Hilde schrikt. “Het zal toch niet waar zijn?” fluistert ze me toe, “mijne man heeft nochtans vijf zakken ingekocht.”

Het huis van Maria moet groot genoeg zijn voor haar alleenstaande zussen en hun kinderen. Ze komt uit Colombia en heeft één vaderloze dochter. Maria krijgt Spaanse bijval van Clara, de consul van Venezuela. Binnenkort krijgt ze een post in Zweden waar wij allemaal welkom zijn.

In de klas improviseren we op voorbeelden uit de praktijk. We voeren lastige telefoongesprekken met de leverancier van een defecte stofzuiger, gaan naar de bank die de rekening heeft geblokkeerd of spreken de slager aan op de kwaliteit van zijn tournedos. Pierre en Marie gaan winkelen en vanavond eten ze iets dat geroosterd moet worden.

De les duurt vier lange uren. In de pauze praat ik met de Vlaamse vertegenwoordiger, die regelmatig Nederland bezoekt. “Hartstikke lekker teringwijf, dat zeggen jullie toch?” Hij kent moppen van Gerard Cox. Ik niet. Mijn Nederlands 'accent' schijnt vermakelijk te zijn. “Gesellug”, roept de gendarme.

De uitspraak van het Frans is nogal verschillend. Angel is Filippino en kent het recept voor de lekkerste gemarineerde kip in bananenblad. “Avec beaucoup de singe”, zegt hij gedecideerd. Hij bedoelt een kruid, geen aap. “Bij ons eten ze aap”, knikt Patricia uit Brazilië. “De indianen die langs de Amazone wonen eten aap. Aap met vis.” Achter mij houdt een Fins meisje walgend haar hand voor haar mond.

We leren meer over elkaar dan over de conditionnel. Over de Duitsers in Argentinië, de Amerikanen in Manila, de Slowaken in Tsjechië en de Nederlanders in België. “Vertel zoveel mogelijk over het geboorteland van degene die naast je zit en gebruik imparfait of passé composé.” “Ik wist klompen, molen, water en ben nooit geweest”, zegt Jorge naast mij. “En een heleboel hoeren en drugs”, fluistert hij mij toe in vloeiend Nederlands. Dan moet ik. Panama, kanaal, dat weet ik, le canal, olietankers. Noriega schiet me zomaar te binnen, George Bush, de Paus. Meer weet ik op dit moment niet over Panama, ik ga geen palmbomen noemen. Jorge lacht. “Ook hoeren en drugs.”

In de zomer zijn de examens. Wie slaagt is officieel tweetalig - al dan niet met 'grote onderscheiding'.