Miskend India

VIJFTIG JAAR GELEDEN kwam een einde aan het Brits-Indische rijk en ontstonden Pakistan (14 augustus) en India (15 augustus). Ondanks de niet aflatende strijd voor eenheid van Mahatma Gandhi - de Indiase vader des vaderlands die met zijn campagne van geweldloosheid de Britse macht liet verkruimelen - was het onmogelijk gebleken hindoes en moslims te overreden tot gezamenlijke natievorming. De deling langs religieuze lijnen voltrok zich in een bloedige furie en tot op de dag van vandaag staan de twee nieuwe staten op het subcontinent elkaar naar het leven.

Volgens de Britse historicus Eric Hobsbawm was de deling “een onheilspellend precedent voor de toekomst van de wereld”. Hoe gelijk hij had is sindsdien vele malen gebleken, het laatst in voormalig Joegoslavië. Religieuze of nationalistische intolerantie en kortzichtig leiderschap zullen waar ook ter wereld een explosief mengsel blijven vormen.

De onafhankelijkheid van India en Pakistan was echter ook op geheel andere wijze een precedent. Ze voerde naar het einde van het koloniale tijdperk, een proces dat nog vele jaren zou duren maar dat onherroepelijk was. De Britten hadden wat dat betreft aan het eind van de Tweede Wereldoorlog de tekenen van de tijd beter verstaan dan bijvoorbeeld de Nederlanders, die op hetzelfde moment bezig waren onafhankelijkheidsstrijders in 'hun' Indië gewapenderhand tot de orde te roepen om de kolonie, althans voor de afzienbare toekomst, te behouden.

De dekolonisatie ging onvermijdelijk gepaard met hoge verwachtingen, voor ontwikkeling en gerechtigheid intern en voor vrede en veiligheid extern. De geschiedenis van vijftig jaar India laat zien hoe moeilijk het is geweest aan die verwachtingen te voldoen; anders gezegd: hoe ingewikkeld het was die 'betere wereld' te scheppen.

DE NIEUWE LEIDERS hadden allereerst tot taak hun staten tot naties om te smeden. Dat is in India tot verrassing van velen gelukt. Anders dan een staatsman als Churchill meende - volgens hem was India niet meer dan een geografische aanduiding, zoals de evenaar - is het land onder leiding van Jawaharlal Nehru en diens Congrespartij een eenheid geworden. Ook nadat een einde was gekomen aan de Nehru-dynastie en de suprematie van de Congrespartij is het land niet uiteengevallen, ondanks steeds weer oplaaiende godsdiensttwisten en naar verregaande autonomie strevende deelstaten, en ondanks veel verwachtingen waaraan niet werd voldaan.

Die succesvolle natievorming heeft ongetwijfeld te maken met het tweede opmerkelijke resultaat van een halve eeuw India. Net als later zoveel andere nieuwe naties, begon het land als democratie, op basis van wat de Britten aan instituties achterlieten. Maar in tegenstelling tot veel andere landen in ontwikkeling heeft het deze koers de afgelopen vijftig jaar vrijwel steeds met overtuiging aangehouden. Voor de gemiddelde Indiër behoort het politieke debat tot zijn eerste levensbehoeften en hij voert het hartstochtelijk. De Indiase pers is vrij en levendig, het rechtsstelsel is onafhankelijk en rechten van de mens worden serieus genomen.

De vitaliteit van deze grootste democratie ter wereld logenstraft de opvattingen over het inrichten en besturen van de samenleving die elders in Azië in regerende kringen opgeld doen. Daar wordt dikwijls betoogd dat democratie en rechten van de mens zoals die de afgelopen decennia in documenten van de Verenigde Naties zijn vastgelegd, op het Westen zijn gericht en niet binnen de Aziatische cultuur passen. Een autocratisch politiek stelsel zou in die visie beter bij de traditie en het denken in Azië aansluiten en daardoor verre te verkiezen zijn boven democratie. Het Indiase voorbeeld zou hier tot nadenken moeten stemmen.

DE INDIËRS zouden niets liever willen. Zij menen in alle ernst niet alleen voor Azië maar voor de hele wereld een inspiratiebron te kunnen zijn. Het was dan ook niet toevallig dat India zich onder Nehru in de jaren vijftig ontplooide tot een gerespecteerd aanvoerder van de zogeheten Derde Wereld en van de Beweging van Niet-gebonden landen - op zoek naar een alternatief voor de confrontatie tussen Oost en West.

Uiteindelijk was deze buitenlandse politiek niet succesvol. Vijftig jaar Indiase diplomatie heeft het prestige van het land niet doen toenemen. Integendeel. De oorlogen met Pakistan - de laatste, in 1971, had de afscheiding van Oost-Pakistan, nu Bangladesh, tot resultaat - en vooral de oorlog met China in 1962 zorgden voor ernstig gezichtsverlies.

De nauwe relatie die daarna werd aangegaan met de toenmalige Sovjet-Unie riep twijfels op over de niet-gebonden Indiase positie. En de kernproef die het land in 1974 - onder de regering van Nehru's dochter Indira Gandhi - nam, had niet het gewenste effect. De wereld reageerde zeer kritisch en aartsvijand Pakistan ging over tot fabricage van een eigen kernpotentieel, waardoor een situatie ontstond die tot nu toe nucleaire ontwapeningsinitiatieven bemoeilijkt.

EEN ANDER TERREIN waarop India teleurstelde is dat van de economische en sociale ontwikkeling. Een te lang volgehouden planmatig economisch systeem met Sovjet-trekken en het hooghartig handhaven van een grote mate van autarkie zorgden niet alleen voor een gebrek aan kwaliteitsproducten maar vooral voor verstarring. Dit systeem is pas de laatste jaren doorbroken na de invoering van liberaliserende maatregelen en opening naar de wereldmarkt. De achterstand op de rest van Azië - en zeker op China, waarmee India zich bij voorkeur vergelijkt en dat het begin volgende eeuw in bevolkingsaantal voorbij zal streven - is echter groot. Dat geldt niet alleen voor groeicijfers maar zeker ook voor het aantrekken van buitenlandse investeringen.

Daar komt bij dat de bevolkingsgroei hoog is gebleven, dat bijna de helft van de bevolking ongeletterd is en dat de armoede, vooral op het platteland, massaal en extreem is. Dit bepaalt het internationale imago van India nog steeds meer dan het feit dat het land daarnaast beschikt over vele miljoenen hoogopgeleide briljante wetenschapsmensen en over een software-industrie die wereldfaam geniet.

De economische renaissance die het land nu doormaakt kan verbetering van het imago brengen als ze wordt volgehouden en als het venster op de rest van de wereld verder open gaat. Een democratisch India dat tegelijkertijd open en welvarend is, zou de komende jaren een niet te negeren factor in de wereld kunnen worden en een einde maken aan de nu in New Delhi gevoelde miskenning. Een permanente zetel in de VN-Veiligheidsraad zou een logische consequentie zijn. Dan pas kunnen de Indiase leiders met recht zeggen dat ze een boodschap voor de mensheid hebben en dan pas zal de wereld met verschuldigde aandacht naar die boodschap willen luisteren.