Kleine psychologie van het voorwerp

PARIJS. In de jaren vijftig werd een belangrijke stap gezet op de weg naar de mechanisering van de huishouding. Dat gebeurde toen de snelwasser kwam, de voorloper van de wasautomaat. De bekendste was de Hoover, van Amerikaanse makelij. Het was een vierkante kuip van ongeveer 75 cm hoog en 50 cm in het vierkant.

Je legde de was in de glimmende ingewanden en goot er heet sop bij. Als je de schakelaar omzette ging in de zijwand van de Hoover een soort scheepsschroef draaien die sop en was in heftige turbulentie bracht. De motor van de machine produceerde een hoog gezoem en het geribbelde aluminium deksel klepperde dat het een aard had. De keuken veranderde snel in een wasserij, de ramen dropen van het vocht en overal rook je de prikkelende geur van heet sop. Na een halfuurtje draaien kon je de rubberslang aan de zijkant loshalen en het sop in een emmer of een putje lozen. Schoon water in de kuip gieten, weer even draaien en de was was gespoeld. Op de bovenkant van de Hoover was een opklapbare wringer gemonteerd en daar haalde je de schone textiel doorheen; het wringwater droop terug in de kuip van de machine.

De geluiden en geuren die bij dit primitieve wasproces horen lagen diep weggeborgen in het hoofd, en ze zouden daaruit nooit meer zijn bevrijd als er niet plotseling zo'n Hoover in het gezichtsveld kwam. Hij stond in Parijs, in het stadhuis, waar een bescheiden, maar erg aardige tentoonstelling over de stad in de jaren vijftig is ingericht: C'était Paris dans les années 50 (tot 30 augustus). De Hoover zag er uit als nieuw, was misschien wel nooit gebruikt, en juist daardoor werkte hij zo krachtig als katalysator van het geheugen. Het glanzende witte email bracht de parmantigheid in de herinnering waarmee de wasmachine haar intrede deed in de huishouding. De Hoover stond daar zoals hij in 1957 de keuken domineerde: trots en onwetend van het feit dat er daarna nieuwe machines zouden komen. Machines die je op de waterleiding kon aansluiten, die konden centrifugeren, die alles automatisch zouden gaan doen en die de Hoover zouden degraderen tot een omslachtig tussenstation. De Hoover stond daar als een monument voor het optimisme van de jaren vijftig.

Dat heb je mooi bedacht, complimenteerde de bezoeker zichzelf, toen hij weer buiten stond. Terwijl hij in de zon over de Avenue Victoria naar de Pont Neuf wandelde, begreep hij dat het een uitgelezen moment was om enige voortgang te boeken bij een project waaraan hij al enige tijd werkte: de formulering van een beknopte historische psychologie van het voorwerp. De onderneming zat wat in het slop, maar de wasmachine had zijn hoofd helder gemaakt. Toen hij bij de Seine was aangekomen was hij drie stellingen en een sombere conclusie rijker.

De eerste stelling was deze: voorwerpen, machines, apparaten zijn betere survivors dan mensen. Ze houden stand, ze verslijten soms, maar ze zijn niet zoals wij opgezadeld met een genetisch programma dat hen onontkoombaar doet verouderen. 'Het is waar, vocht, licht en warmte wordt hun vaak fataal, maar dat moet vooral aan onze achteloosheid, misschien zelfs wel aan onze jaloezie worden toegeschreven. Mits droog en koel bewaard heeft het gemiddelde voorwerp een lang en soms wel eeuwig leven - en dat is meer dan waarop wij kunnen hopen.

Maar ze léven toch niet? Ze zijn dood en doen niks. Hoho, corrigeerde de verstrooide wandelaar zichzelf, en zo kwam hij tot het tweede inzicht van die dag. Ze doen wel degelijk iets. Ze werken als accu's. Ze laden zichzelf op: met betekenissen. Aangesloten op een ontvankelijke geest kunnen ze die lading plotseling prijsgeven. Dan roepen ze herinneringen en associaties op die zich stormenderhand een weg naar het bewustzijn banen. Dan blijkt hoeveel leven er in zo'n dood ding zit. Niet in alle voorwerpen, sommige bevatten meer dan andere. De rijkste zijn de dingen die na intensief gebruik uit het zicht zijn verdwenen en dan onverhoeds weer opduiken. Een oude pen, een vergeten stoel, een wasmachine.

Op dat moment kwam hij bij een kraampje met Eiffeltorentjes van tin en Arcs de Triomphe van plastic. Natuurlijk zijn er ook voorwerpen die zich in herinnering en associatie hebben gespecialiseerd, verfijnde hij zijn theorie, maar die werken zelden of nooit. Ze staan niets af, want ze zijn niet opgeladen.

Leunend op de stenen balustrade van de Pont Neuf keek hij over het water. Hij probeerde een verklaring te vinden voor het lichte heimwee dat hem had bevangen. Was het zijn jeugd, was het de wasmachine? Dat sloot hij niet uit, maar hij dacht ook aan iets anders. De dingen waren zo aan het veranderen, de laatste jaren. Om te beginnen waren het er zó veel, dat je met de meeste geen fatsoenlijke relatie meer kon opbouwen. Daar kwam nog bij dat ze steeds zo snel werden ingehaald door nieuwe generaties, dat elk ding zich bij voorbaat moest verdedigen tegen zijn opvolgers. Dat gaf de dingen van vandaag de dag iets krampachtigs; dat stond hun zelfbewustzijn in de weg.

En dan was er natuurlijk de verblackboxing, de omhulling van steeds meer functies door een schil van toetsen en cijfercodes. De bedoeling is dat de bediening gemakkelijker wordt, maar het zicht op de werking wordt de gebruiker ontnomen.

Allemaal factoren die ertoe leiden dat de mensen zich niet meer aan de dingen hechten, zo somberde hij verder. Was dat erg? Nee. Maar het is wel een afscheid: van rustige bondgenoten die zichzelf blijven, van dingen die ons bijstaan in het gevecht tegen de tijd.