Islam kan Pakistanen niet binden

Pakistan viert vandaag zijn vijftigjarig bestaan, maar er hangt een schaduw over het feest. De meeste burgers beseffen dat het land niet heeft voldaan aan het verlangen uit 1947 naar een hechte moslimnatie.

NEW DELHI, 14 AUG. Premier Nawaz Sharif van Pakistan liet zich gisteren kort na middernacht in een speciale parlementszitting niet verleiden tot de superlatieven die politici doorgaans voor dit soort gelegenheden in petto hebben. De premier riep zijn landgenoten plechtig op alles te doen wat in hun macht lag om “een ontwikkeld en welvarend Pakistan voor de na ons komende generaties” te verwezenlijken.

Vanmorgen vroeg hees Sharif in de hoofdstad Islamabad de nationale vlag voor het parlement. Later op de dag zou hij naar Lahore gaan om een krans te leggen bij het graf van de dichter Allama Iqbal, aan wiens brein Pakistan ontsproten is. Daarna staat Karachi op het programma voor een plechtigheid bij het mausoleum van Mohammed Ali Jinnah, de stichter van Pakistan.

Het halve-eeuwfeest wordt overschaduwd door een golf van sectarisch geweld tussen radicale sunnitische en shi'itische moslims die delen van de Punjab en de grootste stad van het land, Karachi, de laatste maanden heeft overspoeld. Honderden mensen zijn daarbij omgekomen.

Slechts enkele uren voor Sharifs herdenkingsrede was het in het parlement tot een hevige aanvaring gekomen tussen de president en zijn voorgangster, Benazir Bhutto. De oppositie was het niet eens met een nieuwe wet die de regering machtigt veel strenger op te treden tegen mensen die verdacht worden van medeplichtigheid aan sectarisch geweld.

Bhutto's partij sprak de vrees uit dat de wet de weg zou effenen voor politiewillekeur. Uit protest liepen de leden van de Pakistaanse Volkspartij voortijdig uit de zaal weg. Ook Amnesty International heeft bedenkingen geuit over de nieuwe wet. Sharif verwierp zulke kritiek. “Enkele honderden terroristen hebben 140 miljoen mensen in gijzeling genomen en ik zal hen niet toestaan het land te vernietigen”, aldus de premier. Aangezien zijn partij over een ruime meerderheid in het parlement beschikt, werd de wet zonder moeite aangenomen.

De twisten tussen sunnieten en shi'ieten onderstrepen nog eens pijnlijk dat de islam niet voldoende is om de Pakistanen tot een samenhangende natie te smeden. Juist dit denkbeeld van de islam als bindmiddel was vijftig jaar geleden het uitgangspunt van Jinnah. De nog altijd als een heilige vereerde vader des vaderlands betoogde dat de enorme islamitische minderheid van het toenmalige Brits-Indië niet kon aanvaarden voortaan onder gezag te staan van de nog veel grotere hindoe-meerderheid. Wat de moslims nodig hadden, betoogde Jinnah, was een eigen staat. Mede dankzij Jinnah's volharding kwam die er ten slotte inderdaad.

Ook al bestaat de Pakistaanse bevolking voor 97 procent uit moslims, is dit geen garantie voor binnenlandse harmonie. Slechts met grote weerzin hebben de bewoners van Sind, Baluchistan en de Noordwestelijke Grensprovincie de suprematie van de Punjabi's aanvaard. In de Punjab woont 60 procent van de bevolking en vooral het regeringsapparaat en het zeer machtige leger worden vanouds door hen gedomineerd. Meer dan eens is het de afgelopen jaren tot bloedige conflicten gekomen tussen de Punjabi's en andere etnische groepen.

Wie evenmin veel ophadden met de Punjabi's waren de Bengalen uit Bangladesh. Tot 1971 maakten ook zij deel uit van Pakistan. Hoewel ze de Punjabi's getalsmatig overtroffen, hadden de Bengalen weinig in de melk te brokkelen. Dat leidde in 1971 tot een uiteindelijk door India gesteunde afscheiding en de halvering van het toenmalige Pakistan.

Achtereenvolgende Pakistaanse regeringen hebben bij gebrek aan een beter concept altijd vastgehouden aan de mythe van de samenbindende islam. Een hoofdrol speelde in dit verband de kwestie-Kashmir. Zodra een regering zich wat onzeker voelde, haalde ze steevast deze zaak uit de kast. Meestal met groot succes. Het aantal keren dat de Pakistanen in grote delen van het land diep verontwaardigd in staking gingen over de kwestie-Kashmir is niet meer te tellen. Het grotendeels door moslims bewoonde Kashmir, dat aan Pakistan grensde, was immers nog in Indiase handen en dat onrecht diende zo gauw mogelijk te worden gecorrigeerd. Ook premier Sharif hamerde hierop gisteren weer in zijn herdenkingsrede: “Onze onafhankelijkheid zal pas volledig zijn, wanneer ook de bewoners van Kashmir zich bij ons hebben gevoegd”.

Dit alles kan niet verhelen dat het land er na vijftig jaar onafhankelijkheid weinig florissant voorstaat. De bevolking groeit met een verontrustend hoog cijfer van bijna 3 procent per jaar. Ruim de helft ervan is analfabeet. Een kleine 40 miljoen Pakistanen leven beneden het bestaansminimum. Miljoenen Pakistaanse kinderen werken noodgedwongen en een half miljoen kinderen overlijdt elk jaar aan ondervoeding. Het land verkeert bovendien in grote financiële problemen en kan ternauwernood zijn buitenlandse schulden betalen.

Hoewel de islam Pakistan dus minder heeft gebracht dan velen hadden gehoopt, zou het onjuist zijn alle misstanden in Pakistan op conto van de islam te schrijven. Een belangrijke remmende factor bij de ontwikkeling van Pakistan vormt volgens de meeste waarnemers een groep machtige feodale families, die zijn privileges de afgelopen decennia met hand en tand heeft verdedigd. Zo verzetten ze zich actief tegen onderwijs voor armen, omdat die daardoor minder gedwee zouden worden. Daarnaast hebben ook de strijdkrachten, die Pakistan in totaal zo'n 25 jaar hebben bestuurd, een zware last op het land gelegd. Vrijwel geen enkele politicus durfde ooit te snijden in de - zeker voor zo'n arm land - disproportioneel hoge defensiebudgetten.