In de hel van de jungle

Eindstation Pakan Baroe, morgen, NPS, Radio 5, 13.08-14.00u.

Sumatra, 1943-1945. Op last van de Japanse bezetter bouwen krijgsgevangenen en Javaanse dwangarbeiders een 220 kilometer lange spoorlijn over de waterscheiding tussen de rivieren Siak en Kwantan. Dwars door het oerwoud, door stinkende moerassen en smalle kloven. Bomen worden gerooid, bruggen worden gebouwd en de bielzen en zware spoorstaven worden met handkracht op hun plaats getild. Het loon: veel slaag en weinig eten. Langs 'de baan' bezwijken 2.500 Westerse krijgsgevangenen - Nederlanders en Engelsen - en naar schatting 80.000 zogenaamde Romusha's, Indonesische dorpsbewoners, die door de Japanners alras met geweld werden geronseld.

De Nederlandse journalist Henk Hovinga wijdde aan het drama een boek en twee documentaires: een gisteravond uitgezonden door de EO-televisie en een voor de radio. De radio zendt morgenmiddag het klankbeeld uit, waarin elf overlevende 'baanwerkers' het aangrijpende verhaal vertellen van 'eindstation Pakan Baroe'.

De werkzaamheden beginnen in mei 1943. Romusha's bouwen in Pakan Baroe, Midden-Sumatra, een emplacement en leggen enkele kilometers spoorweg aan. In mei 1944 arriveren de eerste krijgsgevangen. Zij worden met roestige vrachtschepen aangevoerd naar Padang, aan de westkust van Sumatra. Eén van die schepen wordt geraakt door een Japanse torpedo, de meeste opvarenden verdrinken.

De werkkampen zijn open, want vluchten heeft geen zin, overleven in het bos is uitgesloten. In de vroege morgen treffen de krijgsgevangenen verse tijgersporen aan in het natte zand van de rivieroever. De krijgsgevangenen beschikken alleen over een door Japanners uitgereikte lendedoek en staan letterlijk bloot aan de verschrikkingen van de jungle. De vonken uit de locomotief veroorzaken kleine brandwondjes die in een mum van tijd gaan ontsteken en de gevreesde tropische zweren veroorzaken. Bijna iedereen krijgt malaria en er is een nijpend tekort aan kinine. De kampen worden belaagd door horden vliegen die neerstrijken in de open latrines en vervolgens op de schamele maaltijden. Dysenterie is het gevolg. Velen worden afgevoerd naar de ziekenboeg in Kamp 2, “het voorportaal van de dood”. De Nederlandse chirurg dr. Kingma zet aan de lopende band ledematen af. “Dat waren amputaties zoals ik me die voorstel in de zestiende eeuw: vasthouden en zagen”.

Dagelijks worden doden begraven, gewikkeld in hun tikar (slaapmat). 'Oom Karel' Cornelis - hij overleed in 1985 - trad op als 'begeleider van de dood'; hij vergezelde de overleden baanwerkers en “sprak een enkel woord”. De Indonesische Romusha's mogen van de Japanners niet worden begraven; hun lichamen liggen bij tientallen langs de baan. Het laatste restje levenslust van de dwangarbeiders wordt op peil gehouden met 'voordrachtavonden' op zaterdag. Op enkele honderden meters van hun stervende kameraden zingen de “hologige skeletten' “Hollands vlag, je bent mijn glorie”, afgewisseld met nummers als “Op de plee en in de stal, een witte vlag met rooie bal”. De Japanners verstonden het toch niet.

Na een martelgang van vijftien maanden, op de dag van de Japanse capitulatie, is de spoorlijn 'klaar'. Een Japanse officier drijft de laatste nagel in de laatste biels en heft met zijn collega's het glas. Als het bericht van de Japanse capitulatie doordringt in het werkkamp, probeert een Nederlandse officier zijn uitgeteerde mannen het Wilhelmus te laten zingen, maar het ritueel gaat de mist in, door uitputting en ongeloof.

De spoorlijn Pakan Baroe-Moeara is nooit gebruikt. De bielzen zijn verstookt en de spoorstaven als oud ijzer verkocht. In de kampongs langs het traject ligt nog een enkele onttakelde stoomlocomotief, als stille getuige van het werk aan de dodenspoorweg.