Erik Rambaldo vlucht niet meer

Over concentratiekampen werd lang niet gesproken - men moest 'voorwaarts'. In het Centrum '45 dat in 1972 werd opgericht, leren nieuwe generaties dat het beter is het gruwelijke onder ogen te zien.

OEGSTGEEST, 14 AUG. Aan de deur van de kleine kamer waarin Erik Rambaldo (56) sinds maart van dit jaar vijf dagen per week huist, hangt een wit vel met de tekst: 'Minder angstig voelen in de groep, durven te praten in de groep'. Rambaldo, een 'Indo', kwam in 1941 als bijna tweejarige met zijn moeder in het 'Jappenkamp' en werd daar op zijn vijfde uit bevrijd, waarna de gewelddadige periode volgde, bekend als Bersiap. “Hier stak je de vlag uit, maar bij ons stonden de Indonesiërs klaar om ons een kopje kleiner te maken”, zegt Rambaldo.

Morgenavond herdenkt hij zijn bevrijding bij het Indisch Monument in Den Haag. Samen met de groep van 25 oorlogsslachtoffers waarmee hij in de kliniek van Centrum '45 in Oegstgeest optrekt. Rambaldo lijdt aan een concentratiekampsyndroom dat, in algemenere zin gebruikt, tegenwoordig meestal een post-traumatische stressstoornis wordt genoemd. Dat behelst een complex van symptomen: slaapstoornissen en nachtmerries, ongewenste herbelevingen, depressies, angsten of fobieën. Soms zo ernstig dat normaal leven onmogelijk wordt. Men isoleert zich al meer van zijn omgeving, bang voor te grote emoties, gekweld door schuld- en schaamtegevoelens. De basis van Rambaldo's trauma was, en is voor een deel nog, dat hij zich niet kon uiten. “Je komt in het kamp op een leeftijd dat je nog niet kunt praten, maar je ervaart geweld als een communicatiemiddel. Je leerde geen geluid te maken, zo onzichtbaar mogelijk te zijn.” In Nederland gekomen, werd nergens meer over gesproken, dat deden ook zijn ouders niet.

Tegenwoordig weet men dat het beter is om gruwelijke en traumatische onder ogen te zien en niet te ontkennen. Vlak na de Tweede Wereldoorlog was dat nog geen gemeengoed. “Nederland ontkende wel heel veel, en heel lang”, zegt J.N. Schreuder, psychiater en sinds 1987 directeur van Centrum '45, 'het landelijk centrum voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen'. “De wereld was niet aan toe aan de verhalen van de overlevenden van de Duitse vernietigingskampen”, zegt D.J. de Levita, psychiater en ex-hoogleraar Transgenerationele oorlogsgevolgen. “Men wilde voorwaarts.” Hetzelfde gold voor de slachtoffers uit 'Indië'. De slachtoffers konden hun verhalen maar aan weinigen kwijt.

In de jaren daarna begon, nog steeds in kleine kring, het bestaan van het concentratiekampsyndroom of KZ-syndroom bekend te worden. Sommigen hadden psychiatrische hulp nodig of moesten worden opgenomen. Dat gebeurde onder andere bij de psychiater Bastiaans, hoogleraar in Leiden en directeur van de psychiatrische kliniek van de Rijksuniversiteit in Oegstgeest. Hij behandelde zijn patiënten, eerst voornamelijk verzetsmensen, later ook de joodse overlevenden, vanuit de gedachtengang dat een trauma alleen met succes kan worden bestreden als je het blootlegt, desnoods kunstmatig. Dat laatste deed hij met LSD, het modieuze 'geestverruimende' middel van die dagen, waarop de avant garde 'tripte'. Een zeer omstreden methode waardoor sommigen 'genazen' en anderen psychotisch bleven. Bastiaans ijverde vanaf eind jaren zestig voor een aparte kliniek voor zijn patiënten. Hij kreeg dat pas begin 1972 voor elkaar toen door het debat over de vrijlating van de Drie van Breda (Duitse oorlogsmisdadigers die vanaf 1945 in de Koepelgevangenis zaten opgesloten) de emoties hoog oplaaiden. Eindelijk raakten de verhalen van joodse overlevenden op grote schaal bekend en erkend, voor het eerst ook via de tv.

Eind 1972 was Centrum '45 klaar, maar Bastiaans stond er buiten. Hij wilde zijn hoogleraarschap niet opgeven om directeur te worden. Pas na zijn emeritaat heeft hij nog een paar jaar onder de hoede van het Centrum patiënten behandeld. Zonder LSD. Schreuder: “Dat wordt al lang niet meer gegeven. Sommige ervaringen zijn zo onverdragelijk dat je er beter niet over kunt praten.”

Na verzetsmensen en vervolgingsslachtoffers, klopten ex-geïnterneerden van de Japanse kampen bij het Centrum aan, maar ook Nederlandse burgers die bombardementen of Duitse werkkampen hadden doorstaan. En vanaf begin tachtig ook de kinderen van de overlevenden uit de vernietigingskampen. De gemiddelde leeftijd van de cliënten varieert vanaf 1972 van begin tot midden vijftig.

Rambaldo verdrong tot zijn 50ste de beelden ('de dia's') die zich aan hem opdrongen uit zijn kamptijd en vermeed alle situaties die een verschil van mening zouden kunnen opleveren. Hij werkte keihard, wisselde vaak van baan, en raakte al geïsoleerder van collega's, vrienden en gezin. Doodsbang was hij. Voor iedereen en alles. Na een 'burn out' belandde hij bij de Riagg waar hij jaren zonder resultaat in therapie was. Via een maatschappelijk werker maakte hij kennis met Centrum '45. “Op de Riagg hadden ze moeten zien dat ik een klinische behandeling nodig had, want ze kennen het Centrum heel goed”, zegt Rambaldo. Langzaam maar zeker gaat het hem nu beter. Hij durft zelfstandig een bus of trein in. Het weekend thuis is hij gewoon partner en vader, en geen patiënt meer. Voor een discussie vlucht hij niet meer de kamer uit.

“Zolang er georganiseerd geweld is, blijven er slachtoffers”, antwoordt Schreuder op de vraag of zijn kliniek blijft bestaan als de laatste slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog geen hulp meer nodig hebben. In 1994 opende het Centrum in Noordwijkerhout een afdeling voor ernstig getraumatiseerde vluchtelingen en asielzoekers. Niet iedereen die gruwelijke ervaringen meemaakt, heeft een psychiatrische behandeling nodig. Wel geldt “hoe erger het trauma, hoe groter de late gevolgen”, zegt Schreuder. Met leeftijd heeft dat niet veel te maken. “Mensen worden niet zwakker als ze ouder worden. Als je gezond blijft kun je veel stress aan.” De Levita: “Maar bij het ouder worden, verdwijnt het verdriet niet. Dat houdt pas op in het uur van de dood. Joodse bejaarden in de verpleeghuizen ervaren dat als het kamp. De triomf van het overleven is weg, zij komen toch nog aan de beurt. Door daarover te spreken, kun je hen helpen dat te verdragen.”