Duitsland bezorgd over snelle stijging inflatie

BONN, 14 AUG. In Duitsland wordt met argusogen gekeken naar de onverwacht snelle stijging van de inflatie, die in juli met een half procent omhoog ging tot 1,9 procent. De hogere inflatie en de daling van de mark tegenover de dollar kunnen voor de Bundesbank redenen zijn binnenkort de rente te verhogen.

Vorige week waarschuwde Otmar Issing, lid van het bestuur van de centrale bank in Frankfurt, dat de prijzen zich in “de verkeerde richting ontwikkelen”. Met 1,9 procent heeft de inflatie de afgelopen maand de hoogste stand in twee jaar bereikt.

De hogere prijzen worden veroorzaakt door prijsstijgingen in de gezondheidszorg. Sinds 1 juli moeten patiënten een hogere eigen bijdrage betalen voor medicijnen. Deze maatregel is het gevolg van de hervormingen in de gezondheidszorg, waartoe de regering in Bonn dit jaar heeft besloten. Ook zijn de tarieven voor de motorrijtuigenbelasting met ingang van juli gestegen.

Als gevolg van deze prijsstijgingen moesten de particuliere huishoudens 1,9 procent meer uitgeven dan een jaar geleden. Hiermee is de inflatie gevaarlijk dicht bij de 2 procent gekomen, een psychologisch belangrijke grens op grond waarvan de rekenmeesters bij de Bundesbank serieus over verhoging van de rente gaan nadenken. Dit besluit zou volgende week kunnen vallen omdat voor 21 augustus een bestuursvergadering van de bank is gepland. Deze week achtte de bank de tijd hiervoor nog niet rijp.

Economische experts houden al rekening met een lichte verhoging van de geldmarktrente, die doorgaans door een stijging van het disconto wordt gevolgd. “Wij verwachten in oktober een renteverhoging”, zegt Michael Schubert, topeconoom bij de Commerzbank in Frankfurt, de derde grote bank van Duitsland. De prijsverhogingen gelden niet voor enkele produkten, maar voor alle prijsgroepen.

Dat constateert ook de Bundesbank in haar jongste maandelijkse verslag over de economische situatie. Als deze ontwikkeling van de inflatie doorzet en de waardedaling van de mark aanhoudt, zal de rente volgens Schubert zeker stijgen. “Misschien zelfs eerder dan wij in onze prognose voorzien.” De Commerzbank-expert rekent op een stijging van de geldmarktrente van 3,20 naar 3,60 procent (per drie maanden). Het disconto zal volgens de bank met een half procent stijgen van 2,5 naar 3 procent. Schubert is niet zo pessimistisch over het effect van een renteverhoging op de Duitse economie. “We houden een zeer laag rentepeil”, meent hij. Bovendien worden investeringsbeslissingen genomen op basis van de lange rente en deze blijft naar zijn verwachting stabiel.

Maar het kan niet zo zijn dat een gezonde geldpolitiek van de Bundesbank wordt afgestraft met almaar hogere schulden bij de overheid. De staat maakt teveel schulden en dat drijft prijzen en de rente op, zegt Schubert. Volgens hem hebben financiële experts bij hun prognoses al rekening gehouden met extra tegenvallers bij de belastingdienst, die in de herfst worden verwacht. “Na de tegenvallers in het voorjaar, rekent niemand erop dat de financiële situatie snel verbetert”.

De Bundesbank waarschuwt in haar jongste verslag voor nieuwe belastingtegenvallers. In mei moest de staat een verlies van 18 miljard incasseren als gevolg van de stijgende uitgaven voor de hoge werkloosheid. De bank noemt ook de toenemende belastingvlucht uit Duitsland als een belangrijke oorzaak voor vermindering van de belastingopbrengst. De Bundesbank pleit daarom krachtig voor doorvoering van een grote belastinghervorming om de lasten voor burgers en bedrijven te verminderen.

Extra tegenvallers bij de belastingdienst vormen tevens een bedreiging voor de Duitse deelname aan de euro. Nu al zijn de verwachtingen van vrijwel alle economische instituten in Duitsland, dat het Bonn niet zal lukken de norm van drie procent voor het begrotingstekort te halen gezien de hoge uitgaven. De Beierse premier Edmund Stoiber zei gisteravond in een televisie-interview, dat de euro desnoods een tot twee jaar moet worden uitgesteld. Het Verdrag van Maastricht voorziet in die mogelijkheid. Na de start van de monetaire unie in 1999 wordt rekening gehouden met een overgangsperiode waarin de nationale munten en de euro enkele jaren naast elkaar bestaan. Deze overgangsperiode kan worden verkort. Pas in 2002 geldt de euro als enig betaalmiddel.