Diepe scheuren bedreigen Nehru's 'nobele gebouw'

Morgen is het vijftig jaar geleden dat India, na eeuwen overheersing, onafhankelijk werd. De grootste verdienste is volgens Floris van Straaten dat het land een democratie is gebleven. Maar de buitensporige bevolkingsgroei en de sociale onverschilligheid vormen ernstige bedreigingen.

'Wij sluiten vandaag een onfortuinlijke periode af en India ontdekt zichzelf weer”, zei de kersverse premier Jawaharlal Nehru toen India vijftig jaar geleden onafhankelijk werd. “We moeten het nobele gebouw optrekken van een vrij India waar al zijn kinderen mogen wonen.'

Als de aartsvaders van het onafhankelijke India het gouden jubileum hadden kunnen meemaken, zouden ze het 'nobele gebouw' met gemengde gevoelens hebben bekeken. Weliswaar zijn de grondvesten solide, maar de muren vertonen angstaanjagende scheuren.

De grootste verdienste van het vrije India is zonder twijfel dat het, afgezien van een kort dictatoriaal intermezzo onder Indira Gandhi, steeds een democratie is gebleven - de grootste ter wereld. Als de regering de meerderheid van de Indiërs niet aanstond, werd die zonder pardon naar huis gestuurd.

India is een vrij land. Elke dag weer staan de kranten bol van de kritiek op ministers en andere vooraanstaande politici, en ook de gewone man aarzelt niet zijn gemoed te luchten en zo nodig met gelijkgestemden de straat op te gaan voor een luidruchtige betoging. Weinig andere ontwikkelingslanden kunnen bogen op zo'n diep gewortelde democratische traditie.

Betekent dit dat de Indiase democratie vergelijkbaar is met die in Westerse landen? Nee, in een land met 950 miljoen goeddeels zeer arme en analfabete inwoners valt dat ook niet te verwachten. Vooral op het platteland laten nog altijd miljoenen armen zich onder invloed van intimidatie of kleine materiële gunsten overhalen bij verkiezingen te stemmen op de favoriet van een machtige man in hun omgeving.

De Indiase democratie verdient evenmin de schoonheidsprijs voor haar optreden in de Punjab en Kashmir, waar ze met veel geweld opstanden van militante separatisten de kop indrukte. Het is ook de vraag of het democratische India de komende 50 jaar zal overleven. Het land raakt steeds meer in de greep van regionale leiders die deelbelangen vertegenwoordigen. Moeizaam werken ze nu samen in coalities, die weinig oog hebben voor het nationale belang. Zulke centrifugale krachten kunnen de Indiase democratie op termijn uithollen.

Mede dankzij de democratie is er ook een emancipatie op gang gekomen van de allerarmsten. Heel geleidelijk begint het tot deze omvangrijke groep door te dringen dat hun stem gewicht in de schaal legt en dat die een middel kan vormen om ook toegang tot Nehru's 'nobele gebouw' te krijgen. Sommige van hun leiders vertoeven inmiddels zelfs al ruimschoots in de mooiste kamers daarvan. Maar deze emancipatie verloopt uitermate stroef en wordt dikwijls actief tegengewerkt door de bovenlaag, veelal bestaande uit mensen van de hogere kasten.

Hiermee belanden we meteen bij de grootste smet op India's staat van dienst. Ook na vijftig jaar leeft een groep van zo'n 350 miljoen Indiërs nog beneden het bestaansminimum, evenveel als de totale bevolking van India in 1947. Ze wonen in krotten of hutjes zonder waterleiding en elektriciteit. Ze hebben zelden vast werk en eten in veel gevallen maar één maaltijd per dag. Ze kunnen niet lezen of schrijven, en hebben doorgaans geen toegang tot medische zorg. Ze moeten het stellen met een inkomen van enkele dubbeltjes per dag.

Zo mogelijk nóg treuriger dan het bestaan van zo'n reusachtig reservoir armen op zichzelf is de volstrekte onverschilligheid van de overige Indiërs voor het erbarmelijke lot van deze mensen. Allen worden in die houding gesterkt door het kastenbesef en het fatalisme dat vooral het hindoeïsme eigen is. Wie er slecht aan toe is, heeft dat aan zichzelf te wijten. Einde verhaal. Slechts een klein groepje sociaal voelenden streeft, al dan niet gesteund door de Indiase regering of Westerse hulpverleners, actief naar verbeteringen.

Wat de armen wel in overvloed hebben, zijn kinderen, van wie velen al van jongs af aan werken om een paar centen bij te dragen aan het huishouden. India is de onbetwiste wereldkampioen kinderarbeid. Zo'n 78 miljoen kinderen tussen de zes en elf jaar gingen in 1995 niet naar school, in het bijzonder meisjes die in India vanouds worden achtergesteld bij jongens. Als enig groot land ter wereld kent India, tot zijn eeuwige schande, nog altijd geen algemene leerplicht.

In India heeft de politieke elite het basisonderwijs - een cruciaal instrument om een land te helpen ontwikkelen - altijd stiefmoederlijk bedeeld. De kwaliteit ervan is dan ook navenant slecht. In 1993 gaf India meer uit aan subsidies voor slecht lopende industrieën dan aan onderwijs. In schril contrast daarmee staan de relatief hoge uitgaven voor het hoger onderwijs, waarvan vooral kinderen van welgestelden profiteren. De kwaliteit hiervan is voortreffelijk. In India gaan zes keer zoveel studenten naar de universiteit als in China.

De minst ontwikkelden hebben de meeste kinderen. Vooral het gegeven dat nog altijd 70 procent van de vrouwen op het platteland analfabeet is, vormt een hindernis bij het onder controle brengen van het geboortecijfer. Elk jaar komen er 18 miljoen Indiërs bij. Nog een jaar of dertig en India zal China zijn gepasseerd als het volkrijkste land.

De vergelijking met China is ook in ander opzicht interessant. Hoewel China er eind jaren veertig op zijn minst even slecht aan toe was als India, zijn de autoritair bestuurde Chinezen er in geslaagd het analfabetisme veel verder terug te dringen dan de democratische Indiërs. In China gaan bijna alle kinderen tegenwoordig naar school. Ook heeft de Chinese leiding veel meer geïnvesteerd in de volksgezondheid. Hiermee legde ze de grondslag voor een geweldige economische expansie vanaf het eind van de jaren zeventig. De levensstandaard van China is thans twee keer zo hoog als die van India.

Economisch gezien gaat het India na lange jaren van stagnatie op het ogenblik op het eerste gezicht voor de wind. De groei bedroeg vorig jaar een respectabele 7 procent. Maar het ligt in veel opzichten nog mijlenver achter op China. In het jaar 1995-96 trok India 1,9 miljard dollar in buitenlandse investeringen aan, slechts een fractie van het Chinese bedrag van 38 miljard dollar. Het weerspiegelt het geringe vertrouwen van de internationale zakenwereld in de Indiase economie, ondanks de liberalisering die er sinds 1991 op gang is gekomen.

Dit gebrek aan vertrouwen vloeit voor een niet onaanzienlijk deel voort uit de onbetrouwbaarheid van de regering zelf en het zijn allerminst buitenlandse zakenlieden alleen die daarvan een afkeer hebben. Het geldt evenzeer voor de meeste Indiërs. Het regeringsapparaat is van onder tot boven aangevreten door corruptie, nepotisme en willekeur. Het verval is al zó ver voortgeschreden, dat eerlijke mensen in de politiek een zeldzaamheid zijn geworden.

Onder zulke omstandigheden wenden steeds meer Indiërs zich af van de staat en gaan hun eigen weg. Wie kan, ontduikt de belastingen, zorgt voor zijn eigen stroomvoorziening en stuurt zijn kinderen naar een particuliere school. Voor een groot ontwikkelingsland als India, waar de staat juist een centrale rol kan en moet spelen, is dit een zeer zorgelijke tendens. Juist de armen worden van deze ontwikkeling de dupe. Het 'nobele gebouw' van Nehru dreigt er nog bouwvalliger door te worden dan het al is.