Waarom Walter Brennan in westerns zo vaak koffie zet; Briljant video-essay over homoseksueel Hollywood

LOCARNO, 13 AUG. How Little We Know zong Lauren Bacall in haar filmdebuut To Have and Have Not (Howard Hawks, 1943). In zijn derde briljante filmhistorische video-essay, The Silver Screen: Color Me Lavender, dat deze week in première gaat op het filmfestival van Locarno, maakt de Amerikaanse regisseur Mark Rappaport, die eerder vergelijkbare studies wijdde aan Rock Hudson en Jean Seberg, het liedje tot thema van zijn onderzoek over de verborgen homoseksualiteit in de Gouden Era van Hollywood.

Het is de laatste jaren in de mode om in allerlei fragmenten te zoeken naar geheime codes over de geaardheid van de sterren van weleer, maar Rappaport gaat verder waar de oppervlakkige inventarisatie in de recente documentaire The Celluloid Closet (met als voor de hand liggende themasong Doris Day's Secret Love) ophield.

Juist door veel speculatiever en manipulatiever te citeren uit talloze oude Hollywoodfilms, slaagt Rappapport erin om de theorievorming over de verbeelding van de mannelijke homoseksualiteit een nieuwe richting in te sturen. The Celluloid Closet beweerde dat homo's de dubbelzinnige codes destijds al goed begrepen; Rappaport benadrukt daarentegen de naïviteit van het publiek en hoe weinig we eigenlijk weten. Cary Grant en western-ster Randolph Scott konden tien jaar samenwonen in Hollywood en als vrienden poseren voor een publiciteitsfilm. Het viel niemand op dat Grant in een roze peignoir een sprongetje in de lucht maakte, uitroepend: “I'm gay!”.

Rappaport behandelt na een aantal bijrolacteurs die in de jaren dertig gerants en butlers vertolkten (Edward Everett Horton, Eric Blore), de angst voor de omvangrijke homoseksualiteit in het leger tijdens de Tweede Wereldoorlog, die hij illustreert met een ballet van Gene Kelly met militairen in On the Town (1949). Hollywood bezwoer die angst door homoseksualiteit te ridiculiseren, en draagt tientallen voorbeelden aan van dubbelzinnigheden tussen komische duo's als Bob Hope & Bing Crosby en Jerry Lewis & Dean Martin. Van een excentrieke acteur als Clifton Webb werd de geaardheid begrepen en geaccepteerd, maar in westerns en avonturenfilms lag de zaak ingewikkelder.

Rappaport introduceert in zijn film het Walter Brennan-syndroom, vernoemd naar een populaire bijrolacteur, die altijd de stereotiepe oudere vriend van Gary Cooper, James Stewart of Humphrey Bogart (bijvoorbeeld in To Have and Have Not) speelde. Let maar eens op, suggereert Rappaport met weer vele voorbeelden, wie in een western de koffie zet. Zo'n 'groezelige goudzoeker' moest de held ook behoeden voor 'slechte vrouwen'. Maar als die held alleen op avontuur ging, dan ging Brennan mokken dat hij niet meemocht.

The Silver Screen: Color me Lavender is een schatkamer van suggestieve, maar doorgaans plausibele trouvailles. Waar komt de vrouwenangst van Danny Kaye vandaan? Waarom werd het van Europese regisseurs als Luchino Visconti en Jean Cocteau wel geaccepteerd dat ze liefdevol naar de lichamen van Massimo Girotti, Alain Delon en Jean Marais keken, en was dat in Hollywood niet toegestaan? En hoe zit het eigenlijk met de twee grote dansers uit de filmhistorie, Fred Astaire en Gene Kelly? De leerzame en geestige onderzoeksfilm van Mark Rappapport eindigt in ieder geval lyrisch, met het enige duet dat beiden ooit samen dansten, en dat in deze context nog slechts voor een uitleg vatbaar is.