Versterven

Ik gruwel van het voorstel dat dr. Chabot (NRC Handelsblad, 5 augustus) heeft gedaan om in gevallen waarin niet duidelijk is wat de patiënt zelf zou hebben gewild, niet de familie te laten beslissen maar de arts. Aan een arts kan nooit de zeggenschap toekomen over een recht waaraan een staat zelfs niet kan tornen.

De stellingname van Chabot laat zien dat kwesties van leven en dood en andere fundamentele rechten van de mens in onze cultuur op gevaarlijk wijze zijn gemedicaliseerd. Bij leven en dood kunnen artsen deskundig zijn ten aanzien van de wijzen waarop ze tot stand komen, maar het zijn zelf zaken die zich onttrekken aan hun bevoegdheid.

Als niet duidelijk is wat de betrokken persoon zelf zou hebben gewild, dan begaat men onrecht door hem een recht te onthouden waar hij mogelijk gebruik van had willen maken. Kenmerk van een fundamenteel recht is dat het ook blijft bestaan als men niet expliciet kenbaar maakt er gebruik van te willen maken. Als iemand niet expliciet te kennen heeft gegeven dat hij geen eten en drinken wil, zal men hem dus eten en drinken moeten geven.

Menswaardig sterven betekent niet voor anderen het stervensmoment plannen. Eten en vocht geven - voorzover dat mogelijk is - heeft dan ook niets te maken met rekken van het stervensproces. Het betekent erkennen dat ook een stervende midden in zijn afschuwelijke aftakelingsproces een volwaardig lid is van de menselijke samenleving met alle rechten die daaraan verbonden zijn. Of er iets in de geest van een stervende omgaat en wat, is in veel gevallen niet na te gaan. Maar niemand heeft het recht mensen de intimiteit van die momenten te ontnemen door voor een ander de dood te plannen.

De uitlatingen van Chabot laten zien dat de bevoegdheid om beslissingen aangaande leven en dood bij artsen niet in goede handen zijn. Daarom moeten artsen bij dit soort zaken de hete adem van Vrouwe Justitia in de nek blijven voelen.