Topvoetbal moet van de liefhebber blijven

In het voetbal gaat steeds meer geld om, maar het product voor de consument wordt er niet beter op. Daarom moet de overheid, aldus Tsjalle van der Burg, de consument beschermen tegen te hoge prijzen voor voetbalbeelden. Ook een bijzondere belasting op inkomsten van voetbalclubs is zinvol.

De voetbalclub Manchester United is momenteel op de beurs 1,4 miljard gulden waard. Sinds de introductie in 1991 zijn de aandelen meer dan zevenhonderd procent in waarde gestegen.

De inkomsten van de club, afkomstig uit recettes, reclame, televisierechten en clubartikelen, stijgen in snel tempo. In het seizoen 1995/96 bedroegen ze al 143 miljoen gulden. De winst was 45 miljoen gulden. Dat de winst niet nóg hoger uitviel, was te wijten aan de forse stijging van de kosten. Voetbalclubs moeten met elkaar concurreren om de beste spelers. Omdat ook de andere clubs rijker worden, moet Manchester United tegenwoordig tientallen miljoenen guldens betalen aan salarissen en transferbedragen.

De begrotingen van Ajax, Feyenoord en PSV liggen dit seizoen tussen de 58 en 70 miljoen gulden. Toch moeten deze clubs alle zeilen bijzetten om de aansluiting met de Europese top niet te missen. Een beursgang van deze clubs is op termijn niet ondenkbaar.

Hoeveel geld zal er in de toekomst in het voetbal omgaan? Laten we eens wat speculeren. Het plezier dat de consument gemiddeld beleeft aan voetbal op televisie lijkt op zijn minst vergelijkbaar met dat wat hij ontleent aan het lezen van boeken of het drinken van bier. In 1995 gaven Nederlandse consumenten 2,2 miljard gulden uit aan boeken en 7,3 miljard gulden aan bier. Als clubs en televisiezenders het voetbal straks met decoders echt serieus gaan uitbaten, zou dit dus ook wel eens miljarden kunnen opleveren - in Nederland alleen al.

In elk geval is de heersende opvatting dat de inkomsten in het voetbal in de toekomst nog veel verder zullen stijgen. Leiden deze stijgende inkomsten ook tot een beter product voor de consument? Tot op zekere hoogte wel. De overgang van amateur- naar profvoetbal bijvoorbeeld heeft zeker tot beter voetbal geleid. En de opbrengst van de televisiereclame bij het voetbal heeft goede en uitgebreide beeldverslagen mogelijk gemaakt.

Er lijkt de laatste jaren echter een keerpunt bereikt te zijn. Steeds hogere salarissen leiden niet meer tot beter voetbal. Toen Cruijff tien jaar oud was, hield een voetballer hooguit een sigarenwinkel aan zijn carrière over. Van Basten wist op jonge leeftijd al dat hij miljonair kon worden. Toch is Van Basten geen betere voetballer geworden dan Cruijff. Ook op het gebied van televisie lijkt nog maar weinig verbetering mogelijk. Belangrijke wedstrijden worden immers allemaal al uitgezonden.

Natuurlijk kan een bepaalde club zich nog wel verbeteren door flink te investeren. Als Bayern München de beste speler van Feyenoord koopt, wordt het voetbal van Bayern beter en van de Rotterdammers slechter. Maar het voetbal als geheel gaat er niet op vooruit.

Eigenlijk dreigt het voetbal zelfs minder attractief te worden. De topclubs worden steeds sterker. Mede door de afschaffing van de beperkingen aan het opstellen van buitenlanders kunnen de rijkste Europese clubs hun gehele eerste elftal en hun reservebank tegenwoordig opvullen met de allerbeste spelers. De resulterende krachtsverhoudingen tasten de spanning in nationale en Europese competities aan.

Voor de liefhebber wordt het voetbal er dus niet beter op. Maar hij zal er wel steeds meer voor moeten betalen. Wie komend seizoen wedstrijden uit de eredivisie live op televisie wil zien, moet voor zestig gulden per maand (inclusief de huurprijs van een decoder) een abonnement op Canal+ nemen. De samenvattingen van eredivisie-wedstrijden en de integrale uitzendingen van interlands en Europacup-wedstrijden, blijven voorlopig gratis. Maar dit zal zeker veranderen als Nederlandse clubs, gedwongen door buitenlandse concurrentie, het voetbal straks echt gaan uitbaten. Voetbalbeelden zouden dan dan wel eens miljarden guldens per jaar kunnen opleveren.

Bij een totaal bedrag van bijvoorbeeld zes miljard per jaar zou een gemiddeld huishouden 75 gulden per maand kwijt zijn. Sommigen zouden meer betalen, anderen minder. Vooral de koopkracht van voetbalfans met een laag inkomen zou een gevoelige klap krijgen.

Dit vooruitzicht vraagt om overheidsbeleid. Ten eerste dient, in Europees verband, een coderingsverbod te worden ingesteld voor alle populaire voetbal-uitzendingen. De prijs wordt dan automatisch nul, en de koopkracht blijft op peil. Bovendien neemt het welzijn toe. Immers, zónder coderingsverbod zullen veel mensen in de toekomst ophouden naar voetbal te kijken simpelweg omdat de prijs te hoog wordt. Mét verbod zullen deze mensen blijven kijken, en daar ook van genieten. Hun welzijn stijgt dus door het coderingsverbod.

Kan de overheid soortgelijke voordelen niet eveneens bereiken door, bij voorbeeld, te gebieden dat melk gratis moet zijn? Nee, want geen enkele winkelier zou dan nog melk aanbieden. Het coderingsverbod daarentegen heeft geen invloed op het aanbod. De voetbalbeelden worden ook zonder decoders wel aangeboden. Dit blijkt wel als men kijkt naar de periode vlak vóór de introductie van decoders. Alle belangrijke wedstrijden werden toen uitgezonden. De televisie-reclame leverde voldoende op om de uitzendingen te bekostigen.

Hierbij zij opgemerkt dat Studio Sport, dankzij de opbrengst van de omringende reclame, per saldo geen beroep deed op geld uit de verplichte omroepbijdrage. Hierin komt nu echter verandering. Door de concurrentie van betaal-televisie moet Studio Sport steeds meer voor de voetbalrechten betalen. Studio Sport zal dus een beroep moeten gaan doen op een deel van de omroepbijdrage. Dit zal óf leiden tot een verhoging van de omroepbijdrage, óf tot minder aanbod van informatieve en culturele programma's. Ook voor zover de NOS er in de toekomst in slaagt een deel van het voetbal voor het open net te behouden, ondervindt de consument dus nadeel. Ook dit nadeel wordt door het coderingsverbod opgeheven.

De tweede maatregel is een belastingmaatregel. Volgens de economische theorie werken de meeste belastingen verstorend: ze verhinderen dat het optimale niveau van economische activiteit bereikt wordt. Een hoge belasting op arbeid bijvoorbeeld leidt tot werkloosheid. Om het nu financieel mogelijk te maken weinig belasting te heffen in situaties waarin belastingen sterk verstorend zijn, dient men relatief hoge belastingtarieven te hanteren in situaties waarin belastingen minder verstorend zijn.

Daarom is het zinvol om, in Europees verband, een bijzondere belasting te leggen op inkomsten van voetbalclubs. De opbrengst kan, bijvoorbeeld, bijdragen aan verlaging van de belasting op arbeid. Dit is goed voor productie en werkgelegenheid. In de voetbalsector zal de nieuwe belasting leiden tot lagere inkomens voor spelers en beleggers. De productie zal echter niet worden aangetast. Immers, als een stijging van de inkomsten in het voetbal niet tot beter voetbal leidt, zal een belasting op deze inkomsten niet tot minder voetbal leiden.

Het tarief kan het beste progressief zijn. Bijvoorbeeld een tarief van nul voor de eerste tien miljoen aan clubinkomsten, oplopend tot negentig procent voor inkomsten boven honderd miljoen gulden. De minder rijke clubs worden hierdoor bevoordeeld, zodat de underdog kans houdt te winnen. Zo hoort het ook in de sport.

Coderingsverbod en bijzondere belasting kunnen los van elkaar worden ingevoerd, maar een combinatie lijkt het beste. Door het coderingsverbod wordt de opbrengst van de bijzondere belasting weliswaar lager, maar toch niet verwaarloosbaar. De hoge inkomsten uit recettes, reclame en clubartikelen staan hiervoor borg.

De maatregelen moeten door de Europese Unie worden ingevoerd, zodat clubs uit verschillende lidstaten gelijk worden behandeld. Omdat de rijkste voetbalclubs van de wereld allemaal uit de Europese Unie komen, is het niet erg dat clubs uit andere landen wat voordeel hebben.

De beursgang van voetbalclubs zal door de maatregelen minder geld opleveren. Dit is mooi meegenomen, want het betekent dat er minder spaargeld verspild wordt. Vanuit maatschappelijk oogpunt investeren beleggers in voetbalclubs namelijk niet zozeer in een beter product, als wel in rechten waarmee men de consument meer kan laten betalen dan nodig is. Dankzij de maatregelen zouden de aandelenbeurzen zich dus weer beter kunnen concentreren op hun maatschappelijke functie, welke bestaat uit het doorsluizen van schaarse spaargelden naar bedrijven die wél investeren in een betere of hogere productie.

Voetbal, consument en economie gaan er dus op vooruit. De salarissen van spelers zullen dalen en beleggers zullen minder verdienen aan de successen van hun club. Maar iedereen zal nog steeds om doelpunten kunnen juichen - in die typische voetbalsfeer waarin iedereen gelijk is omdat iedereen dezelfde passie heeft. Een passie, waar geld niets mee te maken heeft.