Pleidooi voor een meer pragmatische samenwerking met Suriname; 'Emotie speelt een te grote rol'

De Nederlandse regering neemt de tijd om te reageren op de protestnota van Suriname over het arrestatiebevel tegen Desi Bouterse. Dat is de juiste, zakelijke houding, aldus een kenner van de West.

DEN HAAG, 13 AUG. Veel tijd heeft justitie niet meer. Nederland kan niet voortdurend suggereren dat het een zaak tegen Bouterse heeft. Dat loopt nu al tien jaar. Er zal nu iets duidelijk gemaakt moeten worden.

Professor G. Oostindie uit Leiden, specialist op het terrein van de betrekkingen tussen Nederland en de voormalige koloniën in de West, denkt dat er twee zaken door elkaar heen lopen: de decembermoorden uit 1982, waarbij Bouterse en andere militairen vijftien tegenstanders uit de weg ruimden en zijn betrokkenheid bij handel in verdovende middelen. “Het tumult in Nederland over de decembermoorden is groter, maar Nederland kan daar weinig aan doen en niets concreets tegen Bouterse ondernemen.”

In de andere zaak van cocaïnesmokkel is volgens hem wel erg lang gewacht. Nederland heeft de schijn tegen, meent Oostindie. “Nu Bouterse weer politieke macht heeft, wordt een arrestatiebevel via Interpol verspreid. Dat had Nederland beter ten tijde van de vorige Surinaamse regering kunnen doen. Deze zaak moet niet verder ontaarden in karaktermoord. Maar nu justitie een vervolgingsverzoek heeft ingediend, is het openbaar ministerie kennelijk zeker van zijn zaak.”

Hij zegt dat de Nederlandse regering er goed aan doet om duidelijk te maken dat zij geen boodschap heeft aan het aanpakken van “het fenomeen Bouterse, de volksheld”, maar dat er alleen een verzoek is gedaan tot uitlevering omdat Nederland Bouterse en anderen wil horen in een drugszaak. Die boodschap moet beter duidelijk worden gemaakt. Oostindie: “Het is logisch dat nu Bouterse weer volle zalen trekt, een verzoek tot arrestatie als een bom is ingeslagen in Suriname, maar dat moet geen reacties in Nederland oproepen die hetzelfde emotionele gehalte hebben.”

Hij noemt fel reageren “misschien wel bevredigend voor het gevoel van verantwoordelijkheid dat wij voor Suriname koesteren maar die verantwoordelijkheid ontaardt dan snel in zinloze bemoeizucht”. De vraag is volgens Oostindie of de verdenking van Bouterse en de andere, reeds lopende en vanuit Suriname kennelijk getraineerde zaken, een totale verstoring van de betrekkingen waard zijn.

Hij noemt het fout als politici hier nu weer gaan roepen dat het verstrekken van ontwikkelingsgelden moet worden opgeschort. Suriname heeft nog 600 miljoen gulden aan verdragsmiddelen te goed van de drie miljard die het bij de onafhankelijkheid in 1975 bij verdrag van Nederland kreeg.

Oostindie: “We zijn al te vaak met die dreiging gekomen en het heeft geen effect. Nederland moet nu een midden zoeken tussen een ongewijzigde, wellicht schuldbewuste samenwerking en het voeren van een koers die uitloopt op botsingen. Beoordeel de regering Wijdenbosch op haar daden. We moeten niet schromen kritischer te zijn dan voorheen.”

Volgens Oostindie zijn er voldoende redenen om na te gaan of onderdelen van het Raamverdrag, dat Nederland in juni 1992 met Suriname sloot, niet beter opgeschort kunnen worden omdat ze niet werken. Het gaat dan over de slecht functionerende justitiële samenwerking als ook over het “politiek sterk beladen defensiedossier”. Opzeggen van het Raamverdrag noemt hij onverstandig, omdat de verhoudingen daardoor verder zouden worden aangetast.

Op twee terreinen zou Nederland de samenwerking met Suriname moeten opvoeren: onderwijs, cultuur en taal en sociaal-economische projecten. Op dat laatste terrein moet Nederland voortgang maken. “Er is geen enkele reden om geld te steken in slecht voorbereide projecten maar evenmin om die dossiers te sluiten. Nederland mag niet de indruk wekken steeds met nieuwe eisen te komen ten aanzien van uitbetaling van de reeds in 1975 bij verdrag toegekende gelden.”

Het is niet eenvoudig, aldus Oostindie, om de relaties tussen het voormalige moederland en de voormalige kolonie wat van emoties te ontdoen. De druk van Frankrijk, dat in het naburige Frans Guyana een lanceerbasis voor commerciële satellieten heeft, en de druk van de VS, Venezuela en Brazilië op Nederland is groot om bij te dragen aan de rust en stabiliteit in Suriname. Daarom pleit Oostindie voor een meer pragamtische samenwerking.

“Nederland moet dat doen vanuit een gevoel van verantwoordelijkheid voor een nog niet afgewikkelde erfenis. Het wordt ook tijd dat Nederland afscheid neemt van de in 1975 zo bepalende illusie dat Suriname vanuit Den Haag 'gepland' en gemaakt kan worden; zelfs vanuit Paramaribo lukt dat niet. Laat Nederland zijn energie richten op normale bilaterale relaties, zoals met andere landen in het buitenland, maar met oog voor de cultuurgemeenschap die bestaat. Dat is al een hele opgave.”