Internationalisering is geen nulsomspel

De Japanse vroegere McKinsey-man Kenichi Ohmae schreef in The End of the Nation State; The Rise of Regional Economies (1995, Free Press) over het toenemend belang van 'regiostaten' zoals Singapore of Ierland in de wereldeconomie. Dat zijn staten met een bevolking tussen de 5 en 20 miljoen.

Daarmee bereiken ze de noodzakelijke schaaleffecten zonder dat het beleid te ver van de mensen en ondernemingen af komt te staan. Tezelfdertijd lezen we het nodige over de internationalisering van de economie die harde concurrentieregels oplegt. Niet zelden wordt gesteld dat we eigenlijk geen andere keuze hebben dan ons bij die regels aan te passen. De vraag ligt daarom voor de hand: wat is de zin van toenemende beleidsautonomie voor een 'regiostaat' zoals Nederland als die zich alleen maar kan voegen naar wat op internationaal vlak gebeurt? Die vraag dringt zich nog meer op in het kader van de verdergaande Europese integratie. Nu de Economische en Monetaire Unie voor de deur staat, vragen veel mensen zich af wat de overblijvende beleidsruimte is voor met name kleinere lidstaten.

Wat opvalt is dat beleidsruimte in deze discussie meestal als een nulsomspel wordt gezien: wat het ene beleidsniveau wint aan marges voor vormgeving van eigen beleid, verliest het andere. Het spel is evenwel complexer. Telkens moeten we ons voor een stuk aanpassen aan internationale spelregels, maar worden ook nieuwe kansen geschapen. Eerst en vooral biedt de internationalisering van de markt ondernemingen uit relatief efficiënt functionerende economieën als de Nederlandse nieuwe afzetmogelijkheden. Ondernemingen van hier investeren voor een deel elders om op lokale marktkansen in te spelen. Tot nu toe hebben we vooral geprofiteerd van het groter worden van de internationale koek.

Iets soortgelijks geldt voor de Europese integratie. Kleine landen breiden niet zelden hun beleidsruimte uit door aan machtsblokken als de EU deel te nemen. Ten eerste wordt ook zo hun markt groter. Maar ten tweede zouden ze op eigen benen maar een klein deel kunnen bereiken van wat ze nu in grotere gehelen vermogen. De huidige minister van Defensie, Joris Voorhoeve, verwees in 1978 in een studie voor de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (Internationale macht en interne autonomie) op “de schijnbare paradox dat een kleinere mogendheid om zijn belangen te verdedigen een groot deel van de eigen wapens juist uit handen moet geven”. Maar dat wil daarom nog niet zeggen dat elke verschuiving in die richting positief is. Internationale samenwerking kan ook tot schaalnadelen leiden.

In Het Kennisoffensief (1996) stel ik dat het in de kenniseconomie er steeds meer op aan komt 'slim te concurreren'. De Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek vroeg me dat te concretiseren voor het innovatiebeleid van een land als Nederland (Overheid, R&D en internationalisatie, 1997, NRLO). Kort gezegd komt het er volgens mij op neer dat we in het kader van de verdergaande internationalisering een nieuwe balans moeten vinden tussen vier ontwikkelingslogica's die altijd in het beleid aanwezig zijn. De eerste is 'aanpassing' aan bepaalde economische eisen. We mogen niet slechter presteren dan onze concurrenten en onze kennisontwikkeling moet op het hoogste niveau blijven. De eisen voor deelname aan de EMU zijn zo'n voorbeeld van noodzakelijke internationale convergentie. De tweede lijn is dat we op bepaalde terreinen internationaal moeten samenwerken. Dat kan gaan om simpele werkverdeling: als Vlaanderen investeert in een micro-elektronisch topinstituut als IMEC, dan is het niet slim als Nederland dat ook zou doen. Het kan ook echte samenwerking betreffen zoals bij Airbus en Ariane, de ontwikkeling van kernfusie of het AIDS-onderzoek. Internationale handelsakkoorden zoals rond de GATT en de WTO zijn verstandig, maar het zou ook goed zijn daar akkoorden aan toe te voegen die een sociale of ethische bodem onder de markt leggen, zodat we vermijden dat concurrentie leidt tot een neerwaartse spiraal.

Dat heeft ook te maken met de derde lijn: beleidsconcurrentie in de vorm van 'creatief boekhouden'. Iedereen is daar officieel tegen, maar we kunnen alleen maar vaststellen dat het dagelijks gebeurt. Overheden proberen bij voortduring hun eigen bedrijfsleven te bevoordelen of via allerhande trucs buitenlandse ondernemingen aan te trekken, zelfs als dat tegen de geest en ook wel de letter van internationale afspraken ingaat. Dergelijke beleidsconcurrentie is niet superslim, maar het zou even goed dom zijn op dit punt katholieker dan de paus te willen zijn.

De vierde lijn is beleidsconcurrentie in de zin van het versterken van de eigen specialisatie, de eigen specifieke sterkte - een andere manier om een neerwaartse spiraal proberen te voorkomen. Die sterkte ligt deels in bepaalde clusters, deels in niches daarbinnen. Met versterken van specialisatie bedoel ik overigens geen bescherming, want die werkt meestal averechts. Het gaat eerder om het via selectieve maatregelen en ambitieuze, innovatieve, vraaggerichte projecten een cluster als het ware aan de eigen haren omhoog proberen te trekken, om zo nieuwe producten en markten te creëren. In het kader van de internationalisering van de economie verdwijnen marges voor dergelijk nationaal beleid allerminst. Sterker: de noodzaak om die divergente lijn te profileren wordt groter, want concurrentie gaat steeds meer over specialisatie en verschil.

    • Dany Jacobs