Europese normen

NA DE ONDERTEKENING van het Verdrag van Amsterdam bereidt de Europese Unie zich voor op onderhandelingen met kandidaat-lidstaten. Die gesprekken zullen worden beheerst door economische en bestuurlijke aangelegenheden.

Maar zeker zo belangrijk zal zijn de mate waarin de betrokken landen voldoen aan de normen en waarden van de West-Europese democratieën zoals die in het Unie-verdrag zijn vastgelegd. Spanje en Portugal werden bijvoorbeeld pas toegelaten nadat zij hun autoritaire regimes hadden afgeschud. De nieuwe kandidaten voldoen momenteel in wisselende mate aan de eisen, maar alleen al hun geschiedenis van discriminatie en onderdrukking van etnische minderheden dwingt tot meer dan gewone oplettendheid van de Europese jury.

Hier is de geloofwaardigheid van de Unie in het geding. Weliswaar heeft van de staten die uit het voormalige Joegoslavië zijn voortgekomen alleen Slovenië een kans te worden toegelaten, maar beantwoording van de vraag hoe de Unie omgaat met het vraagstuk van de etnische verscheurdheid op de Balkan zal bepalend blijken te zijn voor haar morele autoriteit ten opzichte van nieuwe leden in Oost-Europa. Het een kan niet los worden gezien van het ander.

Vanaf het begin van de Joegoslavische troebelen in de zomer van 1991 heeft het verenigd Europa de crisis beschouwd als rakend aan een essentieel Europees belang. Dat was terecht, hoewel de daaruit voortvloeiende aanpak niet heeft kunnen overtuigen. Wie van mening is dat landen als Hongarije, Roemenië en Bulgarije rechtmatig een plaats in de Unie toekomt, kan niet voorbijgaan aan wat er aan hun grenzen gebeurt. Hetzelfde geldt in nog sterkere mate voor lidstaten als Italië, Oostenrijk en Griekenland. Nog afgezien van het feit dat voormalig Joegoslavië zelf historisch, cultureel en geografisch voldoende aanleiding vormt voor Europese betrokkenheid.

DAT ALLES plaatst de Unie voor een keuze. Sinds de Amerikanen zich weer intensief met de 'Joegoslavische kwestie' bemoeien, is Europees beleid op niet veel meer gericht geweest dan de Verenigde Staten bij de les te houden. Het Europese drukmiddel daarbij is het dreigement dat als de Amerikanen besluiten te vertrekken - een besluit dat voor midden volgend jaar verwacht wordt - de Europeanen ook zullen weggaan. Dat argument klinkt loos al was het maar omdat wat er op de Balkan gebeurt voor Europa van grotere betekenis is dan voor Amerika. Zo zien de Amerikanen dat althans.

Zeker met het oog op de voorgenomen uitbreiding van de Unie zouden de Europese landen zich een dergelijk defaitisme niet kunnen veroorloven. Naar haar aard en bestuurlijke opzet is de Unie nauwelijks in staat een samenhangend beleid te voeren. Het ontbreken van een politieke kern beperkt de Unie tot besluitvorming op onderdelen. Dat zal Europa opbreken, zowel in voormalig Joegoslavië als bij de onderhandelingen met de kandidaten voor toetreding. De Unie mag een normatief beeld hebben van het Europa van de toekomst, maar hoe dat te verwezenlijken en te behouden, is voor haar nog een open vraag.